1, 2. t: en dat sal ic ons singhen, stereotype uitdrukking (zie Antw. lb., nr. 162, bl. 242 en H.v.F., Niederl. Volksldr., nr. 24, bl. 82 en nr. 204, bl. 359). De in de plaats gebrachte versregel is insgelijks stereotype (zie Antw. lb., nr. 207, 209, 218, bl. 320, 323, 338), en met deze wordt het ontbrekende rijm hersteld. - 1, 4, t.: een ridder, - joncfrouwe. - 2, 1. t.: salen sach. - 2, 3 en 4, t.: hi sach. 2, 4. t.: comen ghereden. - 3, 1. t: Si stack, zie str. 12, 5. - 3, 3. t.: rijn, vgl. 12, 5. - 5, 1. t.: hadde. - 6, 2. saen, bijgev. - 7, 4. t.: ende boven alle lantsvrouwen. - 8, 5. sic. H.v.F.,; t.: eerst wt. - 12, 1. schoon = rein, nog in Vlaanderen gebruikelijk.
Antw. lb., nr. 163, bl. 244, ‘een oudt liedeken’, hierboven weergegeven. Overgenomen door Willems, Oude Vl. ldr., nr. 79, bl. 198 en Hoffmann v.F., Niederländische Volksldr., nr. 31, bl. 95. - Over dit melaatschlied en de twee volgende ‘min of meer zelfstandige bewerkingen van hetzelfde verhaal,’ waarin eene jonkvrouw zich om der wille van haren minnaar voor melaatsch uitgeeft, en, ten einde haar eigen vader te overtuigen dat zij van de afschuwelijke kwaal is aangedaan, zich eene wonde in de borst toebrengt om dan gedurende zeven jaar afzonderlijk te gaan leven, zie Dr. Kalff, Het Lied in de M.E., bl. 164-169. Dr. K. verklaart niet te durven beslissen, welke der drie bewerkingen de oudste is en neemt aan, dat ze alle in de XVe eeuw, misschien reeds in de XIVe zullen ontstaan zijn.
De melodie is onbekend. Nr. 218, bl. 338, Antw. lb. ‘Wie wil horen een goet nieu liet// van dat Thantwerpen nu is gesciet’, heeft denzelfden strophenbouw; dus zou de daartoe behoorende zangwijs van Ps. 149 Souterliedekens, hier benuttigd kunnen worden. Die strophenbouw is overigens aan de verschillende lezingen van het lied dat we thans bespreken, gemeen: 4 - a, 4 - a, 3
b, 4 - x, 3
b.
5, 5. t.: bellen. - 7, 5. t.: te wagen. Gedwaghen = gewasschen (H.v.F.). - 9, 5. t.: kleed.
De Marsdrager of nieuwe Toverlantaren, Amst. 1754, bl. 42; overgenomen door Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 32, bl. 98; ook te vinden bij Le Jeune, Letterk. overzicht, 1828, nr. 12, bl. 116, ‘uit een blaauwboekje’.


8, 1. t.: haar. - 9, 3. snare = schoonmoeder (?).
Lootens en Feys, Chants pop. flam., 1879, nr. 46, bl. 86. De notatie van L. en F. die volgt, hebben wij getracht hiervoren onder C in nader verband met de taalmetriek te brengen:


4, 1 en 2. Ontbreken bij W. Hier bijgev. naar aanleiding van str. 5, nr. 163, Antw. lb.
Willems, Oude Vl. ldr., nr. 80, bl. 201, zonder bronaanduiding, tusschen de papieren van Willems gevonden. ‘Het bygevoegde muzyk duidt aen’, zegt Snellaert, op bl. 200, ‘dat dit lied thans nog ergens moet gezongen worden.’ De eerste zes stropken hebben ook overeenkomst met de lezing volgens L. en F.
Misschien is de door Willems medegedeelde melodie, welke wij met hare misselijke scansie onveranderd weergeven, een namaaksel van de melodie ‘Es ritt ein ritter’, naar Arnim's Hs., die men hierboven, bl. 18, aantreft. Deze laatste zangwijs komt ook voor bij A.W. von Zuccalmaglio, vervolg op Kretzschmer's Deutsche Volksldr., II, nr. 95, bl. 199, en wel in dezer voege:
