
1, 3. Het verschijnsel van het rivierwater dat stil staat, vindt volgens Uhland zijne verklaring in het oud-Germaansche recht. In het Nederlandsche lied staat het stroomende water stil, als een trouweloos ridder van liefde spreekt, terwijl men zich in de rechtstaal beroept op den voortdurenden loop van het water. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 178. - 2, 1. t.: seght. - 3, 1. Waer om, bijgev. - 3, 2. Och, bijgev.; - t.: vreemde. - 4, 3. t.: wacht u, stout ruyter goet. - 5, 3. t.: die sal ic noch in dale brenghen. - 7, 1. stout ridder goet, bijgev. - 7, 3. t.: voeten. - 9, 1. t.: Och segt mi, meysken ionck. - 10, 1. t.: ghewaer. - 11, 1. t.: ghenade, stout ridder fijn. - 12, 3. t.: ick mocht u mijnen schiltknecht gheven. - 13, 3. t.: neder. - 18, 1. t.: schilde. - 20, 1. t.: Hi nam sinen. - 21, 1. t.: Heft op uwen. - 24, 3. t.: cleede. - 25, 3. t.: monde. - 26, 4. noch, bijgev.
Antw. lb., nr. 45, bl. 63, ‘een oudt liedeken’; - Een Aemstelredams amoreus lb. (beschreven door Dr. J. Bolte, Tijdschr. voor Nederl. taal- en letterk., Leiden 1891, bl. 175 vlg.), bl. 42a, ‘op de wijse: Op enen morgen stont om de mey so wast’, aanvang van nr. 133, bl. 200 Antw. lb.; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 60, bl. 154; - Uhland, Volksldr., 97B; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 15, bl. 61. - Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 176-7, noemt dit stuk: ‘een
onzer fraaiste, tevens waarschijnlijk een onzer oudste verhalende liederen’. - Böhme, Altd. Lb., nr. 70, bl. 156, eerste strophe van den Nederl. tekst; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 111, bl. 407, Duitsche vertaling van het Nederl. lied.
Ps. 14, Souterl., Antw. 1540, voor: ‘O Heer, wie zal in uwe tent’. Zie een variante der melodie, variante te vinden in Een dev. en prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 29, voor het lied ‘Had ick eenen getrouwen bode’, onder de geestelijke liederen onzer verzameling. De strophenbouw van ‘Een ridder’ enz., is de volgende: 4 - a, 3
b, 4-a, 3
b. Ook het lied ‘Een goet man had een dochterkijn’ (zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling) werd wel eens op de melodie van ‘Een ridder’ enz., gezongen.
Daar volgens Een Aemst. am. lb. het lied ‘Op enen morgen stont’, waarvan de tekst t.a.p., en de melodie in de Souterl., onder Ps. 81, voorkomen, ook zijn zangwijze aan ‘Een ridder en een meysken ionck’ heeft geleend, kunnen wij de verschillende strophen van ditzelfde ‘Op eenen morghen stont’ niet langer aanschouwen, zooals wij het vroeger in onze Oude Nederl. ldr., Gent 1889, bl. 335-340 deden, als uitsluitend uit verzen met drie accenten samengesteld. De waarheid is dat vers- en strophenbouw van nr. 133 Antw. lb. zeer onregelmatig zijn; doch de melismen van de melodie van Ps. 81 Sout. laten toe den tekst van nr. 133 in den staat waarin hij tot ons gekomen is, en tevens het hier besproken lied daarop te brengen.