|
|
|
| |
| | | |
26.
Het was een jonger held.
| |
Eerste melodie.

| |
Tweede melodie.

na een jongvrouwe schoone:
‘God groet u, jongvrouw fyn,
gy staat in 't hert van myn,
in 't hert spant gy de krone.’
- ‘Jonger helt, laat het vryen staan,
gy kont my niet verheugen;
gy moet wat lager beugen.’
| | | |
- ‘Jongvrouw spreekt niet zo stout,
't gebeurt wel menigfout,
al staan u rooskens fier:
- ‘Myn rooskens zag ik staan,
zy staan op groene struiken;
al quam de ryp op eenen nagt
nogtans zult gy 't niet plukken.’
heeft men haar treuren zien.
Sy heeft consent gegeven:
in haar liefs armkens blank
lag zy een tyd niet lank;
dies mogtse treurig leven.
‘Nu zegt myn, jongvrouw fyn,
die ik niet moeste pluiken?
vergaan is al haar kragt,
sy staan op dorre struiken.’
lief, wilt my niet verlaten,
dat gy my in schande bragt,
lief, wat mogt u dit baten?’
- ‘Jongvrouw, gy sprak zo stout,
't word namaals wel gewroken;
- ‘Het is wel myne schuld,
verschoont myn nu ter eere,
ik verstond de zake niet recht,
des roud myn liefde zo zeere.’
- ‘Had gy 't verstaan in 't goed,
nu leeft gy in 't verdriet,
2, 1. Jonker helt. - 2, 6. langer heugen. - 3, 3. Vgl. Antw. lb., nr. 45, str. 5, bl. 156 hierboven. - 7, 1. t.: d' eer. - 10, 6. t.: nu is 't.
| |
Tekst.
Thirsis minnewit, Amst. II, z.j. (c. 1752), bl. 87, ‘van een Jongman en een Dogter. Op een schoone voys’. De tekst, van het einde der XVIe eeuw, ging niet onbeschadigd in eene 18e-eeuwsche verzameling over. Het oudere, doch oneindig fraaiere onmiddellijk voorgaande lied ‘Een ridder ende een meysken jonck’ wijst voor een deel op dezelfde toestanden. - Een Amst. lb., 1583, beschreven door J. Bolte, Tijdschr. voor Ned. t. en lett., 1891, bl. 175 en vlg., onvolledig exemplaar ter bibl. te Dantzig, bevatte, volgens de tafel, het lied: ‘Het was een jonger helt’. - Dezelfde schrijver, Das Liederb. des P. Fabricius (1605), Jahrb. des Vereins für Niederd. Sprachforsch. 1887. nr. 6, eerste strophe, met de melodie van een aanverwant Duitsch lied, waarvan Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1654, bl. 462, die de strophe van Fabricius, naar Bolte, insgelijks mededeelen, een volledigen Nederduitschen tekst vermelden.
| | | |
| |
Melodie
I. Den singende zwaan, Leyden, 1728, bl. 10, waar als ‘stem’ wordt aangehaald:
‘Myn ziel maakt groot den Heer. Ofte:
ô Heylig, Eeuwig God. Ofte:
De blonde Phoebus schynt. Ofte:

O Je - su! zijt ge-groet/
Die door u dier - baar bloed
Met regt nu hebt ver - kre - gen
Dien Naam, die al - le naam
Te bo - ven gaet/ en faem
Dien noyt en dient ver - zwe - gen.
II. De ‘Lofsangh der jonckvrauwen Marie’ (Lucas I, 46) bij de psalmvertaling van P. Dathenus (1566) gevoegd, vangt aan: ‘Mijn siel' maect groot den Heer’ en heeft denzelfden strophenbouw als het hier besproken lied. Dr. J.C.R. Acquoy, Archief voor Nederl. Kerkgesch., IV (1892), bl. 79, verklaart den oorsprong der melodie niet te kunnen aanduiden.
Ziehier nu de melodie volgens P. Fabricius:

Es war ein jun - ger helt,
sein hertz war ihm ge -stelt
nach ei - ner jung - frau - we scho - ne.
Er dient ihr tag und nacht,
dass sie doch wei - nig achtt,
gab ihm doch gar kein loh - ne.
‘Het was een’, enz. aangeh. als stem: Amsterdamsche Pegasus, 1627, bl. 7, voor het lied: ‘Al wat aen Phoebus hoort’; - Bruylofts bancket, Amst. 1607, bl. 18, ‘Het was een ionger helt. Ofte Mijn siel maeckt groot den Heer’, voor het lied ‘Ick schou de werelt aen’; - Bredero, Aendachtigh lb., 1622, uitg. 1890, bl. 526, ‘Het was, enz. Of de Lofsangh Maria’, voor het lied ‘Vintmen by oudt of jongh’; - Pers, Bellerophon, 1633, bl. 48, ‘Lof-zangh Maria, of Het was’, enz. voor ‘Laet ons met het gheklangh’.
|
|
|