|
|
|
| |
| | | |
27.
Het soude een fier Margrietelijn.

Het soude een fier Margrietelijn,
met haren canneken gaen om wijn;
si was daer toe verraden.
Wat vantse in haren weghe staen,
‘nu segt mi, fier Margrietelijn,
- ‘Uwen wille en doen ic niet,
mijn moerken soude mi schelden;
storte ic dan mijnen coelen wijn,
alleyne soude ic hem ghelden.’
- ‘En sorghet niet voor den coelen wijn,
mer sorghet voor u selven:
die waert is onser beyder vrient,
hi sal ons noch wel borghen.’
| | | |
Hi namse in sinen witten armen
al in een duyster camerken,
daer schafte hi doe sinen wille.
Smorghens, ontrent der middernacht,
si ghinc haer kanneken soecken,
daer lach die moeyaert ende hi loech:
‘het staet daer teynden mijn voeten.’
- ‘Mer dat daer teynden u voeten staet,
dat sal u noch lange berouwen:
ic hebbe noch drie ghebroeders stout,
si sullen u dat hooft af houwen.’
- ‘Alle u ghebroeders stout,
die sette ick in mijn deeren,
ick sal alle dese somer lanck
met Grietken houden mijn scheeren.’
Ende hi nam eenen snee witten bal
hi stackse al in haer kele,
hi schootse tot eenderen veynsteren,
hi schootse al in die Dijle.
Teghen stroom quam si gedreven wt
dat sach so menich fijn edel man,
1, 1 en 2. Naar de wijsaanduiding in Nieu Amst. lb; 1, 2. Antw. lb.: ghister avont spade. - 2, 4. t.: met refrein: ‘ia, wille’. - 10, 4. t.: met refrein: ‘ja, gheselle’.
| |
Tekst.
Antw. lb., nr. 67, bl. 101 ‘van fier Margrietken’; - Hoffmann v.F., Niederländische Volksldr., nr. 67, bl. 157. Het refrein in het Antw. lb. alleen bij de 2e en de 10e str. aangeduid en overigens in de melodie te bespeuren, dient voor de overige strophen bijgevoegd.
Volgens de legende viel het feit voor te Leuven, op 2en September van het jaar 1225. Zoowel de tekst als de melodie van ons lied moeten ten minste in de XVe eeuw thuis gebracht worden. Niets belet, dat over hetzelfde onderwerp een vroeger lied bestaan hebbe. Onder den titel Fiere Margareta werd de legende behandeld door Prudens van Duyse, Lettervruchten van het Leuvensch genootschap Met tyd en vlyt, Leuven 1844, bl. 49. Dit stuk werd herdrukt in 's dichters bundel, Het
| | | |
Klaverblad, 1848, bl. 197, met deze aanteekening: In de St. Pieterskerk te Leuven staet achter 't hoogekoor eene kapelle, in witten en zwarten marmer, Margrietje toegewijd, welke de Leuvenaers veel godvrucht toedragen, zegt Ferrier, die haer geschiedkundige legende mededeelt in Description de Louvain (Bruxelles 1837), bl. 30. Onder den titel Margaretha's uitvaart, schreef Frans de Cort, Zingzang, Brussel, 1866, bl. 96, een lied over hetzelfde onderwerp. - In den jongsten tijd verscheen van Edw. van Even (Leuven, 1896) La Bienheureuse Marguerite de Louvain, sa légende, son culte, sa chapelle.
In het volgende lied uit het Nieu Amst. lb., 1591, bl. 27, ‘Op de wijse: Het sou een fier Margrietelijn // des avonds also spade’, heeft de strophe vijfregeligen versbouw en bestaat een refrein na het tweede en vijfde vers.
Myn liefken heeft my afgeseyt
en dat ter goeder uren, goeder uren,
ic hebbe mijn sinnekens beter geleyt,
ken salder ooc niet om treuren, niet om treuren.
Dat suyverlijcke meysken fijn
hier aen mijn groene zijen, groene zijen,
dat bid ic weer vriendelijck of sy wil zijn
en alle dinck doen en lijen, doen en lijen.
Sy swijcht en consenteert het mijn
dat ic haer mach beminnen, mach beminnen;
dus breng ick het bekerken en den wijn
met al mijn hert en sinnen, hert en sinnen.
| |
Melodie.
J. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 1565, bl. 190: ‘Het sou een fier Margrietelijn’.
|
|
|