
1, 1. Oudt Haerl. lb., 1716. Doen bijgev. naar wijsaanduiding Ps. 69 Sout.; - t.: Hanseleijen. - 1, 3. t.: hy wierde al op toren. - 1, 4. t.: geboeyet. - 2, 4. sey daer na. - 3, 3. t.: wout gy my de gevangen man geven. - 4, 1. en bijgev. - 6, 2. t.: uyren. - 9, 4. t.: dienaer zijn.
Oudt Amst. Lb., bl. 44; - Haerlems Oudt lb., 1716, bl. 42 ‘van Hanselyn’, hierboven weergegeven; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 62, bl. 162; Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., nr. 11, bl. 135 en Id. Niederl. Volksldr., nr. 68, bl. 159; - Böhme, Altd. Lb., nr. 32, bl. 104; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, 63a bl. 222.
In dit lied zoowel als in het lied ‘van den heere van Valkenstein’, zie bl. 116 hierboven, wordt een gevangene door de tusschenkomst van een meisje verlost.
Omwerking door J.J. van Asten, te vinden in Haerlemsche Winterbloempjes, 1651, bl. 161; tekst herdrukt door Le Jeune, Letterkundig overzicht, 1828, nr. 56, bl. 221: ‘Daer zoud een ruitertje vroeg uitrijen’.
Souterl. 1540, Ps. 69: ‘Ghenadighe Heere, mijn toeverlaet’ - ‘na die wise: Doen Hanselijn over der heyden reedt’, en Fruytiers, Ecclesiasticus, 1565, Antw. nr. 86, bl. 164. De melodie zoowel als de tekst van Ps. 69 Sout. en
van het Oudt Haerl. lb. duiden het refrein op het einde van het vierde vers van elke strophe aan, refrein, dat overigens uit de melodie blijkt. Over de notatie van dit lied, zie onze Oude Nederl. ldr. mel. uit de Souterl., bl. 74-76.
In O. en n. Hollantse boerenlities, Amst., 2e uitg., aanv. der XVIIIe eeuw. nr. 266, met opschrift: ‘Hanseleyn over de heyde reet’, vindt men de meer moderne zangwijs:
