
Verzameling aangelegd door Scheltema (XVIIIe eeuw): ‘Een nieuw amoreus liedeken van 't wereltsche wijf, stemme: Het waren twee gesusters in het wout’; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 14, bl. 58: ‘Das Weltweib’, die het stuk als zeer oud aanziet.
Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 182, leert, dat dit niet oorspronkelijk Nederlandsch lied, blijkbaar is samengesteld uit twee Duitsche liederen: ‘Es wirbt ein junger Grafensohn’ en ‘Es het ein edelman ein weib’ (Böhme, Altd. Lb., nr. 92a, bl. 187 en nr. 47, bl. 130). De grondstof van beide Duitsche liederen behoort tot de Iron-Apolloniussage. Karl Wolfskehl, Germanische Werbungssagen, I, Darmstadt, 1893, bl. 25 vlg., toont op zijn beurt aan, hoe het lied van het Wereldsch wijf gedeeltelijk in verband staat met het plan van de liederen ‘van den jongen Markgraaf’. Duidelijk herkenbaar zijn de trekken van overeenkomst. Dat de jongeling in het Nederlandsche lied, aan zijne zuster vrouwenkleederen vraagt, kan moeielijk anders dan door rechtstreekschen invloed van het ‘Markgravenlied’ worden uitgelegd. Ook de wensch om met de dochter te mogen slapen, is wel op dezelfde manier als in het lied ‘van den jongen Markgraaf’ uitgedrukt. En juist de oudste van de tot ons gekomen lezingen, degene welke door Goethe werd aangeteekend, heeft eene zinspeling op dat ‘slapen’ bewaard. Evenzoo het verzoenend slot van het lied van het ‘Wereldsch wijf’, dat, zoo het niet aan het ‘Markgravenlied’ ontleend is, daarmede dan toch in verband staat. Maar tegenover deze overeenkomsten staan ook zulke groote verschillen, dat er aan gemeenschappelijken oorsprong niet te denken valt. Reeds het feit der verkleeding en het gesprek str. 9-10, onderscheiden zich zeer in vorm en in inhoud van de ‘Markgravenromance’. Maar vooral de vlucht der geliefden, de schaking en het achternazetten door den vader geven aan het Nederlandsche lied een individueel karakter en daardoor alleen heeft het waarde.
De Iron-Apolloniussage behoort juist tot het meest verwarde en tot het moeilijkst in den oorspronkelijken vorm te herstellen gedeelte van de ‘Diederik-sage’. Apollonius als vrouw verkleed komt in de burcht en treedt in het vrouwenvertrek waar de koningin-moeder zich met hare dochter bevindt.
Herburg stelt de hierboven in str. 9-10 gedane vraag aan Apollonius, waarop deze alle tien haar vingeren omhoog steekt en zegt tien mannen in éen nacht te hebben gehad. Daarop deelt Herburg appelen uit waarin een brief steekt, waardoor zij aan Apollonius doet weten dat zij hem herkend heeft en hem bemint. De overeenkomst met str. 9 en 10 is bijna woordelijk. Neumann (Germania 27, 4), had hij het ‘Wereldsch wijf’ gekend, zou niet gezegd hebben, dat hier in de Apollonius-sage eene interpolatie bestaat. Opmerkelijk nochtans is het verschil tusschen de twee getallen 8 en 10. Het getal 8 vingeren, met de twee ingetrokken duimen, zal het oorspronkelijk zijn, daar het duimintrekken eene bekende symbolische beteekenis heeft. Het geven van appelen is ook een oud erotisch teeken.
In den Scandinaafschen tekst wordt de schaking beter voorgesteld dan in het ruwe en doellooze intermezzo van de Nederlandsche str. 13-16, die bijna woordelijk aan Uhland, nr. 100, en Böhme, Altd. Lb. nr. 47 ontnomen zijn.
Een Jarl (Graaf) dingt vruchteloos om de hand van eene koningsdochter; door weinige getrouwen vergezeld nadert hij haars vaders burcht. Op haren raad, verkleedt zij zich als dolend wijf en komt in deze verkleeding aan het hof, waar hij als teeken harer toestemming den appel bekomt. Daarop verlaat hij haar en wacht haar die 's nachts bij hem komt.
Eene schaking met geweld gepleegd zou beter met het Germaansch helden-karakter overeenstemmen; ook laat het achternazetten door den koning allerlei vermoedens ontstaan omtrent de bron.
De aangeduide melodie ‘Het waren twee gesusters’ bleef ons onbekend. Eene variante van de eerste strophe van het Duitsche lied ‘Es wirb ein junger Grafensohn’ wordt medegedeeld door Böhme t.a.p., en door Erk u. Böhme, Deutscher liederhort, I, nr. 140a, bl. 467, naar Forster, V, 1556, nr. 11. De eerste strophe van die variante, die volgt, is alleen bekend:

De melodie is geen andere dan degene van het lied ‘De mey die ons de groente geeft’, dat men onder de wereldlijke liederen onzer verzameling vindt. Op onze beurt brengen wij de Nederl. lezing der zangwijze op den hier besproken tekst.