
Naar aanleiding van de wijsaanduiding ‘Aen gheender linden daer staet een dal’ van Ps. 38, Souterl., Antw. 1540, brachten Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 67a, bl. 236, het lied ‘Es steht ein Lind in jenem Thal’, het lied van De beproefde trouw, op de melodie van bedoelden Ps.. Op onze beurt, brengen wij onder de Nederlandsche melodie eene navolging van den Duitschen 16e-eeuwschen tekst voorkomende in een Hs. van 1592 en op een los blad van 1677. Over de talrijke Duitsche bronnen, zie E.u.B., t.a.p., bl. 243.
In Altd. Lb., nr. 39, bl. 116, brengt Böhme denzelfden tekst op de fraaie melodie van Ps. 66, Souterl., ‘na die wijse: Daer spruyt een boom aen ghenen dal’. De melodieën van voornoemden Ps. 38 en van laatstgenoemden Ps. 66 berusten echter op verschillenden strophenbouw. Ps. 38 heeft tot schema, en dit is ook het algemeen metrum van gemelden tekst ‘Es steht ein Linde’: 4 - a, 4 - a, 4 - b, 4 - b. In Ps. 66 heeft het schema daarentegen: 4 - a, 3
b, 4 - a, 3
b:


Het is dus hoegenaamd niet bewezen, dat de melodie van Ps. 66, noch de aanvangsregel ‘Daer spruyt een boom’ enz., gemeenschap heeft met het hier besproken lied van De beproefde trouw. - Nagenoeg een zelfden aanvang heeft eene variante van het lied van den Minnebode: ‘Daer spruiten drie boomkens in ghenen dal’. Wij zijn thans van gevoelen, dat dit laatste lied door ons ten onrechte in onze Oude Nederl. ldr., Gent 1889, bl. 298, op de melodie van Ps. 66 werd gebracht.

Navolging van den Duitschen tekst te vinden o.a. bij Böhme, Altd. Lb., nr. 40, bl. 118, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 67f, bl. 241.
Souterl. 1540, Ps 99, ‘Den Heere, ghi aertrijc al ghemeyn’ - ‘nae die wise: Dat had een meysken enen ruyter wat lief’.

De nieuwe Overtoomsche markt-schipper, Amst., 1793, bl. 46, ‘Een aardige vryagie. Op een aangenaame wys’; tekst hierboven. - Le Jeune, Letterk. overzigt, 1828, nr. 49, bl. 203; - Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., nr. 29,
bl. 174, die met de De nieuwe Overtoomsche enz, nog aanduidt als bron: De lammeren-vreugd, 9en druk, Amst. 1778; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 90, bl. 219, met opgave der laatstgenoemde bron; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 26, bl. 86, met de melding: ‘Holländisch: Volksliederbücher’ en de wijsaanduiding: ‘Aen gheender linden daer staet een dal’. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 197, wijst op de Duitsche en Deensche aanverwante teksten en duidt nog als bron voor den Nederl. tekst aan: De nieuwe vermakelyke Utrechtse minstroom, bl 6. Dr. K. is van meening, dat de Nederlandsche bewerking (van eene vertaling kan hier geen sprake zijn) in de XVe eeuw is vervaardigd, misschien echter in de eerste helft der XVIe.
Naar een Hs. van het einde der XVIIIe eeuw, mij medegedeeld door den Eerw. Heer H. Roes, en dat, in meestal onbeholpen notatie, verschillende melodieën bevat, die voor de viool geschreven schijnen, zooals het slot der bovenstaande zangwijs het overigens uitwijst. In dit Hs. heeft de melodie tot opschrift: ‘Daar was een magetje vroeg opgestaan’.

5, 2. daar, bijgev.
Lootens en Feys, Chants pop. flamands, nr. 48, bl. 92. De melodie is in den grond geen andere als de onmiddellijk voorgaande; de cadensen in beide zangwijzen zijn dezelfde.

8, 1. pannenen = van paan, eene soort van fluweel; vgl. regel 39, enz., bl. 49 hierboven.
Aug. Gittée, in Volkskunde, Gent III (1890), bl. 240, mondelinge overlevering; de melodie door ons in nader verband met de taalmetriek gebracht.