
1, 1. breit. ‘Misschien het Duitsche bereit’ = (reeds). Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 202. Volgens dezen schrijver kan het lied wel oorspronkelijk Nederlandsch zijn geweest, doch kan er ook eene Nederduitsche bewerking van hebben bestaan of het kan door iemand aan de oostgrens van Nederland zijn gedicht. - 4, 1. zie
H.v.F.t.: harnas op zijn schouderen. - 5, 2. t.: grauwers. - 7. v. 1-5. Sic H.v.F. In Antw. lb. volgen de verzen hier geschaard 1, 2, 3, 4, 5 zich op: 2, 3, 1, 5, 4.
Antw. lb., nr. 92, bl. 138: ‘vant Vriesken’; - Uhland, Volksldr., nr. 129; Willems, Oude Vl. ldr., nr. 111, bl. 265; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 36, bl. 104.
Naar het oordeel van Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 199, behoort dit lied ten minste in de XVe, waarschijnlijk echter wel in de XIVe eeuw thuis; daarop wijzen ‘de geest van het lied, de oude uitdrukkingen en de vele assoneerende rijmen.’ Volgens denzelfden schrijver, die hierin van het gevoelen van Uhland is, behooren str. 16 en 17 niet meer tot den oorspronkelijken tekst.
Daar tusschen bovenstaanden tekst en den volgenden weinig verschil bestaat, hadden beide ook zeer waarschijnlijk dezelfde melodie.
9, 1-2. De zin is: nu wil ik in het huwelijk treden. Vgl. het lied: ‘Anne Marietje, mijn lief kind’, str. 6. Frans de Cort, Zingzang, Brussel, 1866, bl. 52, in zijn lied: ‘Lize kloeg: zoo gansch alleen’ (Het klooster), herinnert insgelijks aan het oude spreekwoord gewoonlijk op vrouwen toegepast: ‘Zy zou gaarne gaan // in 't klooster van St. Ariaan/ waar twee paar schoenen voor 't bedde staan.’ -
Dr. M. Sabbe, in Volkskunde, Gent, XI (1898-99), bl. 197 vlg., verklaart dit spreekwoord door het verhaal van den H. Adriaan, die den marteldood onderging en daartoe door Nathalia, zijne vrouw, werd aangewakkerd. Volgens anderen wordt St. Ariaan (of St. Adriaan) in het spreekwoord alleen genoemd voor 't lieve rijm.
Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., nr. 18, bl. 147, die als bronnen aangeeft Oudt Amst. lb., bl. 42; De nieuwe vermeerderde Groenlantse walvisch-vanghst ofte Amsterdamse Y-stroom, Amst. 1719 en Goese nachtegael, Amst. bl. 81, en als wijsaanduiding: ‘Een boerman had een domme sin’; - Willems, Oude Vl. ldr., bl. 267, naar het Haerlemsch oudt lb., 27en druk, 1716, bl. 34 ‘Van den Mayer ende Vrieseman’, zelfde wijsaanduiding; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 37, bl. 107, hierboven weergegeven, duidt als bronnen aan: Oudt Amst. lb. en Oudt Haerl. lb., 16en en 27en druk.
Zie het lied: ‘Een boerman’, enz., bl. 212 hierna.