terug  begin  verderprepost
[p. 196]

34.
Er was een heer, hij had eenen zoon.
(De dochter uit de kroon.)



illustratie

 
1.
 
Er was een heer, hij had eenen zoon,
 
hij beminded' een schamelmans dochtertje fier.
 
De vader sprak met groot ongeduld:
 
‘'k zegge dat gij haar laten zult!’
 
2.
 
- ‘Wel, vader, zoud' ik haar laten gaan,
 
zoud' ik haar brengen in schande?
 
'k zou veel liever mijn leven lang
 
met haar dolen achter lande.’
 
3.
 
't Was op een morgen zoo gezeid,
 
hij klopte zijn zoeteliefs venstertje in.
 
Zij zei: ‘schoon lief, 'k heb gehoord dat uw vader niet hebben en wil
 
dat wij te samen zouden trouwen.’
 
4.
 
Hij trok den ring al van zijn hand,
 
hij zei: ‘schoon lief, daar is een trouwe pand.
 
Wil het mijn vader niet gedogen,
 
wij zullen trekken uit 's ouders land
 
zoo verre uit hunne oogen.’
 
5.
 
't Was op een zondag voor den noen,
 
de dochter zoude gaan naar een sermoen.
 
't En heeft haar niet verdroten,
 
als zij al op het kerkhof kwam
 
dees maagd wierd dood geschoten.
[p. 197]
 
6.
 
Dat heeft den koopmanszoon gehoord,
 
aldaar is hij geloopen.
 
Hij nam zijn lief al in zijn arm,
 
hij kuste ze al aan haren bleeken mond.
 
7.
 
Hij zei; ‘schoon lief, zijt gij gewond?
 
niet gewond maar dood geschoten!
 
Dit heeft de vader van mij geweest,
 
hij zal het zoo diere bekoopen.’
 
8.
 
't Was op een zondag voor den noen,
 
de koopman zoude uit eten gaan,
 
de koopman wierd gevangen.
 
Hij heeft ze zelven door duivels list
 
in de gevangenis verhangen.
 
9.
 
Als de zoon dit heeft aanhoord,
 
hij en wist het niet op wien wreken,
 
hij heeft ze zelven gaan doorsteken
 
met den degen van zijn zijde.
 
10.
 
De mare die liep voort en voort:
 
er zijn nu vier schoon' lieden dood,
 
de koopman en zijn zone aanhoort,
 
de dochter uit de kroone,
 
en 't kleen kind dat zij bij haar droeg,
 
zijn dat geen vier persoonen?

Tekst.

Lootens en Feys, Chants pop. flamands, nr. 56, bl. 110. Vgl. het slot met de laatste strophe van ‘Het wasser een coninc seer rijc van goet’, bl. 90 hierboven.

De melodie was, volgens L. en F., dezelfde als voor de liederen ‘Mi Adel ende hir Alewijn’, zie bl. 48 hierboven, en ‘Het was op een zondag na den noen’ (Dood van Philips den Schoone, 1506). Zie dit laatste lied onder de historische liederen onzer verzameling.

De zeer onregelmatige ook zeer bedorven tekst werd dus gepsalmodieerd, wat toeliet regelen zooals str. 3 v. 3, gemakkelijk op te zeggen.

prepostterug  begin  verder