5. Heeft als vierden regel dienend tot refrein: hy helpt my al wt nooden. - 8, 2. t.: want nu. - 8, 3. t.: reine cusse he liefste. - 9, 2. V.d.B. drukt oggen, maar uit zijn aanteekening op dit woord blijkt, dat men evenals in 17, 2, moet lezen oghens. - 14, 1. t.: Sy comt op eenen roes gheronnen. - 15, 2. die uwen doot weel wreken sellen.
15e-eeuwsch Hs. van Marigen Remen (Bibl. Maatsch. van Ndl. letterk., Leiden), ‘op de wijs als 't begint’, met herhaling van den laatsten versregel der strophe, zoodat deze tekst eigenlijk denzelfden strophenbouw heeft als tekst B die volgt; - L. Ph. C. van den Bergh, Nieuwe werken van de Maatsch. der Nedl. letterk. te Leiden, VI (1844), bl. 289, hier overgenomen; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 6, bl. 32. - Böhme, Altd. Lb., bl. 89, leert dat ‘De sage van den Bremberger’ of van het ‘Herzessen’, door de Fransche troubadourspoëzie in Duitschland is gekomen. Tot staving van Böhme's bewering, wijst Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 203, aant. 2, op den Decamerone, waar men (Giorn. 4, nov. 9) eene bewerking van deze zelfde sage aantreft. Daarin wordt door den verhaler gezegd: ‘Dovete adunque sapere, che secondo che raccontano i Provenzali,’ enz.

5, 3. tekst: reyn.
Antw. lb., 1544, nr. 81, bl. 120. ‘van Brandenborch’; - Uhland, Volksldr., 75 B.; - Hoffman v.F., t.a.p., nr. 7, bl. 34. Van dit lied bestaan twee Hoogduitsche en een Nederduitsche tekst, te vinden in Erk u. Böhme's Deutscher Liederhort, I, nr. 100, bl. 356 vlg. De twee Hoogduitsche teksten verschillen slechts hierdoor van elkander, dat de eerste acht, de tweede tien strophen bevat, waarvan str. 9 en 10 door E. en B. ‘unnütze(r) und unschöne(r) zusatz’ worden genoemd. Willems' tekst, Oude Vl. ldr., nr. 53, bl. 135, 21 strophen, noemt H.v.F. ‘ein zusammenflicken’ van den Nederduitschen en de beide Nederlandsche teksten. Dr. Kalff, t.a.p., 203 vlg., die den Nederlandschen tekst B met den Duitschen en den Hoogduitschen vergelijkt, houdt den eersten voor eene vrije bewerking van de twee laatste. Daarentegen schijnen str. 3, 4 en 11 van den Nederduitschen tekst aan tekst A ontleend. Naar Dr. Kalff's vermoeden is de sage van Brunenborch in de XIVe of in den aanvang der XVe eeuw tot een zelfstandig Nederlandsch lied verwerkt en later, in het laatst der XVe of in den aanvang der XVIe eeuw, naar Duitsche voorbeelden opnieuw bewerkt.
W. doet opmerken dat de aanvang van A, aanvang die in den Nederduitschen tekst wordt teruggevonden, nagenoeg overeenstemt met het aan Hertog Jan I toegeschreven ‘Eins meien morgens vruo’. Evenals in dit laatste lied en in de Nederduitsche lezing van Brunenborch werd er misschien vroeger in tekst A van ‘drie schone vrouwen’ gesproken. Deze ‘drie Bevalligheden’ vindt men ook bij de Franschen terug, namelijk in het Hs. van Montpellier (zie De Coussemaker, L'art harmonique au XIIe et XIIIe siècle, 1865, bl. 214 en G. Raynaud, Recueil des motets, 1881, I, 130):
Volgens W. werd het stuk nog ten zijnen tijde in Vlaanderen gezongen. Ofschoon W. verzekert, dat de door hem genoteerde zangwijze en die hij niet kon terugvinden, geen ‘lange nazoeking’ verdient, moet het jammer heeten, dat deze melodie welke ons misschien op het spoor der oude Nederlandsche zangwijze had gebracht, verloren ging. Intusschen geven wij hierboven, voor tekst B, de voor het eerst door Dr. Bolte, Das Liederb. des P. Fabricius (Jahrb. des Vereins für Niederdeutsche Sprachforsch. 1887, bl. 54 vlg.) onder nr. 2 uitgegeven melodie van den Nederduitschen tekst. De fis in plaats van f, op het slot van den tweeden versregel, is een gevolg der meerstemmige luitmuziek. Ziehier de oorspronkelijke notatie:
