|
|
|
| |
| | | |
36.
Die mi te drincken gave.
(Van vrou van Lutsenborch.)

ic songhe hem een nieuwe liet,
al van myn vrouwe van Lutsenborch
hoe si haren lantsheere verriet.
Si dede een briefken scrijven
so veere in Gulcker landt,
tot Frederic haren boele,
dat hi soude comen int lant.
Hi sprac tot sinen knapen
‘nu sadelt mi mijn paert!
Tot Lutsenborch wil ic rijden
het is mi wel rijdens waert.’
Als hi te Lutsenborch quame
daer lach de valsce vrouwe
Hi sprac: ‘God groet u, vrouwe,
waer is myn here van Lutsenborch,
dien ic te dienen plach?’
- ‘Ic en derfs u niet wel seggen,
ic en wil u niet verraen,
met sinen honden wt iaghen ghegaen.
‘Hi reedter heden morghen
Hi sprack tot sinen knape:
‘nu sadelt mi mijn paert!
ten dale waerts wil ic rijden,
het is mi wel ridens waert!’
| | | |
Als hi bider iachten quame
Hi sprac: ‘God groet u heere,
ghi en sult niet langer leven
- ‘Sal ick niet langher leven
so mach ict wel beclaghen.
dat ic oyt mijn vrou aensach.’
Hi sprac tot sinen knape:
ende schiet myn here van Lutsenborch
- ‘Waerom soude ic hem scieten,
waerom soude ick hem slaen?
ick hebbe wel seven iaren
tot zijnder tafelen ghegaen.’
tot zijnder tafelen ghegaen,
so en dorfdi hem niet schieten
noch niet ter doot slaen.’
Hi tooch wt zijnder scheyden
hi stac mijn here van Lutsenborch
Hi sprac tot sinen knape:
‘nu sadelt mi mijn paert!
tot Lutsenborch wil ic riden,
het is mi wel rijdens waert.’
Als hi te Lutsenborch quame
daer quam de valsce vrouwe
‘Vrou, God seghen u, vrouwe,
u verraderie is volbracht.’
- ‘Is mijnen wille bedreven,
hebdi mijnen sin volbracht,
so doet mi sulcken teyken,
dat ic daer aen geloven mach.’
Hi troc wt sijnder scheyden
Een swaert van bloede root:
siet daer ghi valsce vrouwe,
uws edel lantsheeren doot.’
van peerlen een cranselijn:
‘hout daer, myn liefste boele,
daer is die trouwe van mijn.’
- ‘Uwe trouwe en wil ic niet hebben,
ic en wilse niet ontfaen,
ghi moocht mi ooc verraden
ghelijc ghi uwen lantshere hebt ghedaan.’
Hi troc wt zijnder mouwen
‘hout daer ghi valse vrouwe,
ghi sulter bi bedrogen zijn.’
Te Lutsenborch op de mueren
daer loopt een water claer,
daer sit vrou van Lutzenborch
int heymelic ende int openbaer.
4, 1. t.; quam. - 7, 1. t.: reedt. - 9, 1. t.: quam. - 11, 2. t.: dan heden desen dach; zie 10, 4. - 13, 3. t.: iaer. - 17, 1. t.: quam. - 22, 1. hebben, bijgev. - 22, 2. t.: wille. - 22, 3. t: verraen.
| | | |
| |
Tekst.
Antw. lb., nr. 23, bl. 32, ‘van vrou van Lutsenborch’; - Willems, Oude Vl. liederen, nr. 24, bl. 48, volgens denwelken Lutsenborg (Lutzel-borch) de oude naam is van Luxemburg; - Uhland, Volksldr. 123c; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 8, bl. 36; - Böhme, Altd. Lb., nr. 35, bl. 110. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 210 vlg., bewijst, dat de 15e-eeuwsche Duitsche tekst ‘Was woln wir aber singen’ (‘Die Frau von Weissenburg’, zooals het lied aan den Rijn heette) tot voorbeeld van den Nederlandschen heeft gediend. In Thüringen en in Zwitserland droeg het lied den naam van ‘Hans Steutlinger’. Dit laatste gaf aanleiding tot het lied van ‘Frau von Löwenburg’, dat mede aan den Rijn werd gezongen, terwijl in de Nederlanden het lied van ‘Vrou van Lutsenborch’ bekend was; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, bl. 360-374, nrs. 102a vlg. deelen de verschillende Duitsche lezingen mede, alsook de Nederlandsche lezing door Böhme in het Duitsch vertaald. De Duitsche tekst, leest men in Deutscher Liederhort, steunt op de legende volgens welke de landgraaf Lodewijk (de Springer), hartstochtelijk op Adelheid de vrouw van den Palzgraaf Frederik verliefd, dezen laatste in 1065 vermoordde; - Böhme, Altd. Lb., brengt ons lied in verband met het lied ‘Frisch auf, frisch auf, meine Knappen gut’ door Kretzschmer, Deutsche Volksldr., 1840, I, nr. 20, bl. 27, ‘als ‘Alt-Niederländisch’, zonder verdere bronopgave gebracht op de melodie van Ps. 147 Souterl., na die wise: ‘Wel op, laet ons gaen riden // en sadelt mi mijn peert’. Dit lied is bloot eene navolging van het stuk met aanvang ‘Wel op, wel op, mijn cnaepjes goet’, onder den titel ‘Van jonc Gherrit ende moi Aeltje’, door Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., 1833, nr. 23, bl. 156, zelf gedicht. Snellaert in de door hem gedeeltelijk bezorgde uitgave van Willems' Oude Vl. ldr., nr. 78, bl. 195, teekende daarbij aan, wat H.v.F. niet had gezeid: ‘Volgens H.v.F. is dit overoude lied nog onder het volk in de provincie Holland bekend.’ Eerst in 1852, in het VIIIe deel zijner Hor. Belg. bl. V, maakte Hoffmann bekend, dat dit stuk van hemzelf uitging.
| |
Melodie.
Souterl., Antw. 1540, Ps. 137, ‘nae die wise: Die my eens te drincken gave, ick songhe hem een goet liet’:

Ick sal be - li - den u mijn godt
Wt al mijns her - - - - ten gront
Want ghy mijn woor - den (son - - der spodt)
Hebt ver - hoort tot al - der stont.
| | | |
De door stippen aangeduide maatverdeeling is die van Clemens N.P., volgens de uitgave van Commer, Collectio operum Batavorum musicorum, XI, Berlin, 1857, bl. 106. De aanvangsregelen door het Antw. Lb. en door de Sout. opgegeven stemmen niet overeen, doch beide hebben hetzelfde getal accenten:
Ic sónghe hem een níeuwe líet.
Die my éens te dríncken gáve,
Ick sónghe hem éen goet líet,
terwijl de scansie van den zeer middelmatigen tekst door van Zuylen van Nyevelt onder de melodie gebracht schijnt te zijn:
Ick sál verblíden ú myn Gódt
Want ghíj myn wóorden, sónder spót,
Hébt verhóort tot álder stónt.
Er zou dus twijfel kunnen bestaan nopens de wijze, waarop de wereldlijke tekst onder de melodie moet gebracht worden. Naast de door ons hierboven aangenomen schrijfwijze zou men kunnen stellen:

Die mi te drin - cken ga - ve,
doch de algemeene gang der melodie pleit voor de hierboven bij den tekst gevoegde notatie. - Anders is de melodie medegedeeld door E.u.B. voor den Duitschen tekst van ‘die Frau zu Weissenburg’.
|
|
|