
Haerlems oudt lb., Amst. 1716, 27en druk, bl. 74, ‘van Hansken’, zonder wijsaanduiding, hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 28, bl. 90, met de aant.: ‘Oudt Haerl. lb. 16. druk en 27. druk’. Dat het lied van ‘Hansken’, den middeleeuwschen Jozef, zeer oud is, blijkt, zooals Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 216, zegt, in de eerste plaats uit den inhoud, uit de assoneerende rijmen en de oude uitdrukkingen, die nog zijn overgebleven.
Het ware niet onmogelijk, dat men dit lied op de Halewijns-melodie zou gezongen hebben. Beide liederen hebben zelfden vers- en strophenbouw, ten minste wat het Halewijnslied volgens Van Paemel's uitgave aangaat. Naar deze uitgave toch heeft het lied drieregelige strophe. Ook in Willems' lezing vindt men hier en daar deze drieregelige strophe terug; dit wil nochtans niet zeggen, dat het Halewijnslied oorspronkelijk uit drieregelige strophe heeft bestaan. Wat meer is, gansche regelen van het Halewijnslied worden in het lied van ‘Hansken’ teruggevonden; vgl. str. 13, 17 = 19 van dit laatste, met str. 31 en 17 van het eerste, volgens Willems' lezing, bl. 2 hierboven.
Onder nr. 25 van het Luitboek van Thysius deelt Dr. J.P.N. Land eene andere melodie mede tot opschrift dragende ‘Hansken (Courante)’.