
1, 5. t: mey. - 4, 4. t.: dat het deen is ghelijc dander. - 5, 1. t.: ghereden. - 5, 2. t.: seere claghen. - 8, 3. t.: schaemt ghi u der sonden niet. - 8, 4. t.: waghen weder.
Antw. lb., 1544, nr. 35, bl. 50, ‘een oudt liedeken’. - Volgens Dr. G. Kalff. Het lied in de M.E., bl. 217, wijzen de taal en de assoneerende
rijmen op de XVe eeuw, en hoort het lied ‘om zijn inhoud thuis in een tijdperk, waarin de ridderpoëzie in verval was want de verachte dorper verlaat zegevierend het strijdperk, en de edelman en zijne vrouw worden beiden belachelijk gemaakt door de slimheid van hun vazal.’
Souterl. Antw. 1540, Ps. 86. ‘Van Godes stadt wilt hooren mijn’ - ‘nae die wise: Een boerman’, enz. Willems heeft de c-sleutel op de 2e lijn, waarmede de oorspronkelijke lezing is genoteerd, voor c-sleutel op de 1e lijn genomen en daardoor de melodie op onmogelijke wijze weergegeven. De wijs ‘Een boerman had eenen dommen sin’, wordt aangegeven met de melodie in Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Antw. 1539, nrs. 78 en 79, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 103-4, voor de liederen: Die sinen voet set in eenen doren’ en ‘Die mensch is seer dom ghesint’. Deze zangwijs, die wij in moderne notatie laten volgen met de eerste strophe van het eerstgenoemde geestelijk lied, alhoewel nagenoeg dezelfde cadencen hebbende als de melodie van Ps. 86, verschilt veel met deze laatste:

S. Coster, Boere-klucht van Teeuwis de Boer / en men Juffer van Grevelinckhuysen: ‘op het woordt, 't Krom hout brandt soo wel alst recht,// alst by de vyer ken komen’, eerst in 1627 gedrukt, ofschoon reeds in 1612 vertoond door de Amsterdamsche Kamer ‘In liefd' bloeyende’; hierboven weergegeven naar de uitg. Amst. 1633; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 113, bl. 270. In H.L. Spieghel's Hertspieghel (1614), uitg. van P. Vlaming, Amst. 1730, bl. 86, wordt op het lied ‘van den boerman’ gezinspeeld. Spieghel richt zich tot den mensch:
Hier haalt Vlaming Coster's lezing aan van het lied en, naar Kiliaan verzendend, legt de woorden ‘schaft hy zijn ghewin’ uit, door: ‘dus behandelde hy de zaek als of 't winst was’. ‘Het voornemen van Spiegel,’ zegt Vlaming nog, ‘is in het voorbeeldt van dezen boer af te beelden onze ongeregeldheidt in het verkiezen en schielyk aanvatten van dingen daer ramp aen vast is, en die (wy) nauwlyx gedaen hebben, of berouw en bezinning van 't geen wy gepleegt hebben komt daedlyk met verdiende vroeging toegeschoten.’
‘Een boerman had een domme sin’ wordt aangeh. als wijs in Haerlems oudt lb., 1716, bl. 34, voor: ‘De velden stonden groen en daer toe bereyt’ (zie bl. 191 hierboven); terwijl men in Een suyverlick boecxken begrypende alle de geestelicke liedekens van Thonis Harmansz. van Werwers-hoef, Amst., 1643, bl. Ab, als wijsaanduiding aantreft ‘Het had een boer een dommen sin’, voor; ‘Wie wil hooren een nieuwe liedt// die de werelt wel door-siet’. De stemopgave ‘van een soo loosen boerman’, in Bredero's Boertigh lb. (1622) uitg. Amst. 1890, bl. 275, voor het lied ‘O on-eenighe sinnen’, wijst op anderen strophenbouw.