
3, 2. er, bijgev. - 7. Van deze str. bestaat slechts het vers: nu hoort ghi heeren alle.
Antw. lb., nr. 164, bl. 246, ‘vanden timmerman’, hierboven weergegeven; - Hoffman v.F., Holländische Volksldr., nr. 19, bl. 150; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 82, bl. 204; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 35, bl. 103, waar verzonden wordt naar het nog in den mond des volks voortlevende lied ‘Es war einmal ein Zimmergesel’, te vinden in Hoffmann's Schlesische Volksldr., Leipzig, 1842, nr. 21 bl. 39 (zie mede de verschillende daar aangeduide Duitsche lezingen); - Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 217, bewijst door eene vergelijking der teksten, dat de liederen ‘Van den timmerman’ en van ‘Ik hoorde een watertje ruiselen’ (zie hierachter), beide zijn ontleend aan het Duitsche lied ‘Der Mond der scheint so helle’. Dit laatste lied komt voor onder nr. 78 van het Ambraser Lb. van 1582, opnieuw uitgegeven door J. Bergmann, 1848. Men vindt het ook bij Uhland, Volksldr., nr. 98; bij Böhme, Altd. Lb., nr. 48, bl. 131, en bij Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 128, bl. 445. Dr. K. meent dat een ‘schrijver’ de persoon was, die in het oorspronkelijke lied optrad. Naar aanleiding der zesde strophe van het Duitsche lied, waar een timmerman in voorkomt, die natuurlijk de galg heeft opgericht, kan volgens Dr. K., de bewerker, die waarschijnlijk slechts het lied gehoord had, en aan wien zijn geheugen parten speelde, de geheele geschiedenis op den hals van den ‘timmerman’ geschoven hebben.
Over het oude recht, volgens hetwelk een meisje een ter dood veroordeelde kon redden, zie het lied ‘Het is goet peis goed vrede’; - ‘Ic sach minen heere van Valkenstein’; - ‘Doen Hanselijn over de heyde reedt’, bl. 66, 116 en 167 hierboven. Dr. K. t.a.p. is echter van meening, dat wij in het eerste dier liederen niet met een staaltje van dat oude recht hebben te doen, daar niets bewijst dat ‘Vrouken van den Schilde’ niet met ‘Thijsken’ gehuwd is.
H.v.F., Hor. Belg., II (1833), bl. 139, toont hoe in Vriesland eene ouderlooze maagd aan een dief genade kon verleenen door hem te nemen tot ‘echten man’ en hoe nog in het jaar 1571 te Emden, éen van twee zeeroovers onder dergelijke voorwaarde, genade verwierf. In de Vlaemsche Kronijk van De Kempenaer, aangehaald door Snellaert op Willems, bl. 260, ziet men daarentegen hoe op het einde der XVIe eeuw, twee doodvonnissen te Gent werden uitgevoerd, ondanks de verbidding van jonge dochters die het aanbod deden met de veroordeelden te trouwen.
Over het bevrijden van ter dood veroordeelden door vrouwen, leert Aug. Gittée
in eene studie verschenen in Los en vast, studie waarvan eene recensie te vinden is in Volkskunde, Gent, 1897, bl. 116, dat de oudste voorbeelden van dit gebruik worden gevonden ín Frankrijk in 1430, te Antwerpen in 1548, te Harderwijk in 1578 en dat het ook in Duitschland, in Engeland, Italië en Spanje bestond. Volgens den schrijver ware dit gebruik eene afdwaling van den oorspronkelijken reinen vrouwendienst, den minnedienst. - Misschien zou men het nog hooger kunnen doen opklimmen, en in verband brengen met het recht der Vestaalsche maagden om aan den ter dood veroordeelde die door hen werd ontmoet, genade te schenken.
Uit de Noei borguignon van Gui Barôzoi (B. de la Monnoye) 4e uitg., Dison, 1720, XII Noei, bl. 41, blijkt, dat ditzelfde recht niet alleen aan vrouwen, maar ook aan mannen werd toegekend. Eene wegens kindermoord ter dood veroordeelde jonge dochter, ten huwelijk gevraagd, kan het strop ontkomen:
In het glossarium dat op de Noei volgt, haalt de la Monnoye, bl. 289, op het woord Mairiaige (huwelijk) het commentaar van den Voorzitter Chasseneuz aan, op Coutume de Bourgogne, col. 208 de l'édit de Lyon 1552: ‘Et pro certo, non sine causa huic condemnato ad mortem parcitur, si à muliere petatur, cum incidat in tormentum perpetuum, quod vix narrari aut exprimi posset, ut sciunt multi quos docuit experientia. Il étoit lui même’, voegt er de la Monnoye bij, ‘un de ces multi’.
Een devoot enĚ„ prof. boecxken, Antw. uitg. 1539, nr. 40, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 62: ‘Dit is die wise van den timmerman. Het gaet ooc op Trueren alle die willen, oft op Sij ghingen alle drie bervoets’. Deze verschillende wijzen zijn aangegeven voor het geest. lied: ‘Och sterven mijnder natueren’. - Duitsche melodieën bij Erk u. Böhme., t.a.p., nrs. 129a en 129c, die mede, onder 129b, de melodie uit Een dev. enz. geven.
Oudt Amst. lb., bl. 90; - Oudt Haerl. lb., 1716, bl. 52, ‘van 't schryvertjen’; - Willems, Oude Vl. Lied., nr. 83, bl. 206; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 34, bl. 101, tekst hierboven.
‘Ick hoorde een water ruysschen’, wordt aangehaald in K. van Mander's Gulden harpe, 1627, bl. 73, voor een lied met zelfden versbouw, doch met achtregeligen strophenbouw: ‘Bermherticheyd en vrede’. Misschien werd het hier besproken lied op dezelfde melodie als het lied ‘vanden timmerman’ voorgedragen. Ook van het Duitsche lied ‘Der Mond der scheint’ werd de melodie niet teruggevonden.