
1, 2. Var.: Voor tien pond en een goude ring.
Lootens en Feys, Chants pop. flam., nr. 43, bl. 80, ‘De kwade stiefmoeder’. - Eene andere lezing is te vinden in het Haerlemsch oud lb., bl. 103, ‘Liedeken van de valsche stiefmoeder’. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 223, leert ons een gedeelte van deze lezing en den inhoud van het lied kennen:
Aan het meisje, Adeltje geheeten, wordt de keus gelaten tusschen het klooster en de hooge school. Zij verkiest de hooge school, maar wordt daar door de studenten zoo schandelijk mishandeld, dat zij ter nauwer nood nog genoeg kracht bezit om zich in den hof te slepen en daar te sterven:
Als haar vader dit verneemt, gaat hij naar den hof waar zijne dochter begraven is. Drie leliën (zie aant. bl. 225 hierna), zinnebeelden der onschuld, versieren het graf. Op de bladeren leest de vader hoe de zaak zich heeft gedragen. De slechte moeder zal hare straf niet ontgaan:
Dr. Kalff ziet dit lied als zeer oud aan en gelooft dat het wel tot de XIVe eeuw moet gebracht worden, een tijdstip waarop de Universiteit te Parijs, die hier misschien bedoeld wordt, reeds zeer bekend was, ofschoon zij niet altijd een goeden naam hadt.
Een deel van bovenstaande refrein kan aan een zeer oud Fransch lied ontleend zijn, namelijk het lied ‘Lesse (laisse) faire a mi’, dat zijn naam gaf aan eene mis van Josquin Deprés (zie! Fr. X. Haberl. Musikkatalog des päpstlichen Kapellarchives in Vatikan, Monatshefte, 1888, Beilage, bl. 124).

Blyau en Tasseel, Volkskunde, Gent, 1897-1898, bl. 129, en Iepersch oud-lb., nr. 10, bl. 30, opgeteekend uit den volksmond te Ieperen. - Str. 6-8, vgl. Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, nr. 740, bl. 542, ‘Drei Lilien, drei Lilien die pflanzt ich auf ein Grab’, die daarbij aanteekenen: Volgens oude volksoverlevering gingen de zielen der afgestorvene geliefden, tot bloemen, leliën over, welke niemand dorst aftrekken. Zie mede Ernst B. Wolfram, Nassauische Volksldr., Berlin 1894, nr. 243a en 243b, bl. 221-2.