
1, 1. t.: Tusschen se berch. - 1, 2. water vijt. - 1, 3. wonnen twe. - 1, 3. Dyen connen. - 2, 1. nonnee. - 5, 2. we. - 5, 3. moet ic. - 6, 2. visser kint. - 6, 4. brentsee. - 7, 2. visser kint. - 9, 1. arme. - 10, 2. visser kint. - 10, 3. moeder ser. - 11, 2. selmen see.
Hs. van Meerman, eerste helft der XVIe eeuw, bl. 27, beschreven door Dr. J.G.R. Acquoy, Verslag van de Commissie voor geschied- en oudheidkunde vanwege de Maatsch. der Nederl. letterk. te Leiden, 1888, bl. 56, en uitgegeven door Dr. Robert Priebsch, Deutsche Handschriften in England, Erlangen, 1896, met opschrift: ‘Djt lyedekyn gaet op die wijse Ic sie d(r)ie morghesterre. Ende is van twee conninx kynder die melkander lief hadden ende die coninc dede sijn dochter in een cloester ende dien anderen coninx soen spranc in die se om haer toe te spreken ende si liet een kaers op ter tinnen setten om dat hij sien souden. Ende een quade non lietse wt doen om dat hij verdrencken soude ende niet aen comen’. Onze tekst, die overigens op eene 15e-eeuwsche melodie werd voorgedragen, kan van het einde der XVe eeuw zijn.
Nagenoeg denzelfden aanvang heeft een geestelijk lied met zelfden strophenbouw, te vinden in Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 41, bl. 63: ‘Tusscen twe hoge bergen // in eenen groenen gaert’. In dezen tekst, zoowel als in den tekst hierboven, hebben al de verzen, buiten het eerste vers van dezen laatsten, voorslag.
In dit lied hebben wij eene bewerking van de sage van Hero en Leander, de twee geliefden wier geschiedenis reeds in de eerste helft der XIVe eeuw ten onzent in een sproke (Belg. Mus. X (1846), bl. 89) wordt verteld en in Dirc Potter's gedicht Der minnen loep, dat uit de allereerste jaren der XVe eeuw dagteekent, nog eens wordt verhaald. Reeds in het Nieu Amst. lb., 1591, bl. 145, víndt men ‘een nieu liedeken waer in Leander schrijft ende Hero antwoort’, met wijsaanduiding ‘Die winter is ons verganghen’, eene samenspraak, 16 str., met aanvang: ‘Een groet send' ic u met woorden’.
Böhme, Altd. Lb. bl. 95, meende dat de Germanen deze geschiedenis wel uit
Indië hadden kunnen meebrengen. Dr. Kalff, Het lied in de M.E. bl. 229, verklaart zich dienaangaande liefst niet te wagen in de nevelen van den voortijd. Op hunne beurt leeren Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I. bl. 291, dat de vroegere meening van Böhme hier op eene dwaling berustte.
Voor de Duitsche liederen, deel uitmakende van de ‘Schwimmersage’, en de Zweedsche en Deensche die tot hetzelfde verhaal behooren, zie E.u.B., I, bl. 289 vlg. Voor de Fransche liederen waarin hetzelfde onderwerp wordt behandeld, zie E. Rolland, Recueil de chans. pop. III, bl. 69 vlg., waar worden medegedeeld drie stukken nog in de jaren 1854, 1857 en 1879, uit den volksmond, in Frankrijk opgeteekend; zie mede George Doncieux, Le flambeau d'amour (Revue des tradit. pop. Paris, XIV (1899), bl. 142 vlg,
Zie het lied: ‘Ic sie die morghensterre’.

1, 1. t.: kinderen.
Oudt Amst. lb., bl. 79; - Haerl. Oudt lb., 27en druk (1716), bl. 53, ‘van twee koninghs kinderen’; hier overgenomen; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 27, bl. 88. A en B hebben vierregelige strophe evenals de verschillende Duitsche teksten.
O. en n. Hollantse boerenlieties, Amst., aanvang der XVIIIe eeuw, nr. 461, met opschrift: ‘Daer waren twee konincks kinderen’. Ten einde den vierregeligen tekst op de zonder woorden gedrukte melodie te kunnen brengen, is men verplicht in elke strophe een vers te herhalen. Deze herhaling werd niet aangewend door J.C.M. van Riemsdijk, Nederl. lb. van het Willems-Fonds, II, 19, die de melodie, tot vierregelige strophe gebracht, mede naar de Boerenlieties uitgaf.


Willems, Oude Vl. ldr., nr. 55, bl. 142 ‘uit den mond des volks’. ‘Een vernieuwde tekst’, voegt W. er bij, ‘staet in het Haerlems oudt lb., Amst. bl. 53 en elders’. Willems' lezing kan ook wel eenigermate als vernieuwd aangezien worden. H.v.F. toch is van gevoelen, dat al zijn die ‘drie keerssen van twaelf int pont’ (tekst B, str. 2) niet fraai - in tekst D, str. 19, hierna, wordt ‘eene keers van tien pond’ vermeld - zij dan toch ‘volksthümlich’ mogen heeten. Daarentegen klinkt voor H.v.F. ‘als savonds het dagelicht sonc’, uit Willems' lezing, ‘höchst modern und selbstgemacht’. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 231, ofschoon van meening zijnde, dat deze ‘drie keerssen van twaelf int pont’ door eene minder kunstvaardige hand voor iets anders werden geplaatst, en dat het ‘Och liefste, comt swemt er over’, als in nader verband met den Nederduitschen tekst staande, de voorkeur verdient boven het ‘om daer mee te behouden’ (tekst B, str. 2), bestrijdt het gevoelen van H.v.F. niet aangaande het hertoetsen van tekst C. In dit gevoelen is men nog versterkt, wanneer men ziet, dat Willems' verzameling talrijke andere veranderde en omgewerkte liederen bevat; - De Coussemaker, Chants pop. des Flam. de France, nr. 54, bl. 187, waar men leest: ‘La version que nous avons recueillie est en tout semblable à celle de Willems’. Stellig werd deze tekst, door D.C. in de door hem gebruikte eigenaardige spelling gebracht, aan den verzamelaar bezorgd door iemand die het stuk zoo getrouw uit zijn geheugen kon voordragen alsof hij het uit de Oude Vl. ldr. las. Overigens strookt deze tekst niet met het dialect van Fransch-Vlaanderen.
Willems, t.a.p., waar men leest: ‘De zangwyze my ook medegedeeld door myn vriend Verhulst, lid der Koninklyke Academie van Brussel’. De wiskundige Verhulst, in 1804 te Brussel geboren, stierf aldaar in 1849. - De Coussemaker, t.a.p., zelfde melodie, die daarbij eene Duitsche zangwijs geeft, variante van de melodie te vinden bij Kretzschmer, Deutsche Volksldr., 1840, nr. 24, bl. 35. In F.A. Gevaert's Verzameling van acht oude Vlaemsche liederen, Gent (1854), vindt men voor het zesde vers der strophe:



Lootens en Feys, Chants pop. flam., nr. 44, bl. 82. Van dezen tekst getuigen de schrijvers zelven: ‘Cette version nous paraît singulièrement défigurée’. Nochtans sluit deze verwaterde lezing met hare negentien meestal vierregelige strophen, die alle, volgens de melodie, tweeregelig refrein hebben, en waaruit men een verren naklank van andere oude liederen verneemt (vgl. str. 15 met str. 25 van ‘Heer Halewijn’, nr. 1, tekst A; str. 15 met str. 9 en 14 van ‘Het daghet in den Oosten’, nr. 20, tekst B), zich aan bij str. 5 en vlg. van den ouderen tekst A hierboven.
Nagenoeg met dezelfde woorden als tekst D, vangt eene Duitsche lezing aan: ‘Ach Mutter, liebe Mutter // mein kopf thut mir so weh’, te vinden o.a. in Erk u. Böhme's Deutscher Liederhort, I, bl. 294, en welke eerst in 1804 werd gedrukt.