
2, 5. De strophe bestaat, evenals in de twee volgende liederen, uit verzen met drie accenten, uitgenomen het 5e vers, dat er vier telt.
De tekst, volgens Hoffmann, heeft hier:
Deze twee regels moeten volgenderwijze gelezen of gezongen worden:
aldus is het metrum en de zevenregelige strophe hersteld. - 4, 4. ‘Auch Steine und Felsen galten für heilig und heilkräftig, bei heiligen Steinen, gewöhnlich blauen, wurden Eide abgelegt, wie ihnen auch gebeichtet wird.’ Simrock, aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 241. - 4, 6. linde = de liefdeboom. - 6, 1. De dwergen waren vanouds bij de Germanen bekend om hunne voorliefde voor jonge meisjes, die zij dan ook dikwijls schaakten. Grimm, Myth. 262, 263, aangeh. door Dr. Kalff, t.a.p., bl. 240. - 9, 4. H.v.F. teekent aan: ‘dats u noch (sic) mijn: dafür bei Willems: noch u noch mijn.’
Oudt Amst. lb., bl. 49, ‘stem: Ic wil te lant uitriden’; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 65, bl. 168; - Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., nr. 4, bl. 105, en Niederl. Volksldr., nr. 56, bl. 137, ‘Der Abendgang’, de laatste tekst alhier overgenomen. - Over dit lied, dat ten minste uit de XVe eeuw dagteekent en waarin de klassieke sage van Piramus en Thisbe tot een middeleeuwsch verhaal verwerkt werd, zie Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 233-242, die den tekst van het Oudt Amst. lb., en den minder goeden uit het Antw. lb., nr. 158, bl. 234, met den Duitschen tekst en met de behandeling door Ovidius vergelijkt. Beide Nederl. lezingen sluiten zich bij den Duitschen tekst aan. Duitsche tekst en talrijke Duitsche bronnen bij Böhme, Altd. Lb., nr. 19, bl. 73, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nrs. 86-88, bl. 304-313.
Eene bewerking, met aanvang: ‘Komt hier, gij jongmans van moede kloek’, die zich bij de klassieke sage aansluit - Dr. Kalff noemt haar een rederijkersproduct niet veel ouder dan de 17e eeuw - getiteld Pyramus en Thisbe, wordt gevonden met vrij onbeduidende melodie, bij Lootens en Feys, Chants pop. flam. nr. 51, bl. 99. - In de Gentsche uitgave van Van Paemel, los blad nr. 50, vindt men nog het: Treurig Historie-Lied van Piramus en Thisbe: ‘Ik zugt om een godin’, berijming der 18e eeuw, die gezongen werd op de ‘stemme van den Corporael’. Deze laatste treft men aan bij L. en F., t.a.p., nr. 58, bl. 115, voor: ‘O hemel, ik bespeur’.
Volgens het Oudt Amst. lb. werd het lied gezongen op de wijs van het Hildebrandslied: ‘Ic wil te lande uit riden’. De strophe in dit laatste is achtregelig, terwijl alle de strophen van het hier besproken lied zevenregelig zijn (van de 7e str. blijven alleen vier verzen over). Böhme, t.a.p., vond bij Schmeltzel, 1544,
Quodlibet nr. 6, het fragment eener melodie op de eerste twee verzen van den Duitschen tekst: ‘Es wonet lieb bei liebe’, die insgelijks zevenregelig is, en ontdekte verder de geheele melodie, door Hecyrus (Hetzer), Praag, 1581, nr. 42, op een geestelijk lied gezet. Wij passen die op onzen tekst toe en laten hier Böhme's notatie volgen:

Deze zangwijs, wat door Böhme niet opgemerkt werd, noch door Von Liliencron, Deutsches Leben im Volkslied um 1530, nr. 37, bl. 125, welke dien zang uit Böhme overnam, evenmin door Erk u. Böhme, t.a.p., stamt af van het Hildebrandslied (zie bl. 37 hierboven), zooals het dan ook door Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, 1883, II, nr. 305, bl. 288, gezegd wordt, ter plaatse waar deze schrijver insgelijks de melodie van het geestelijk lied ‘Wer Ohren hat zu hören’ van de Hildebrandsmelodie afleidt. Zie mede over deze zangwijze onze bijdrage Het Hildebrandslied en andere door de mel. daarmede in verband staande liederen, Dichten Kunsthalle, Antw., XIII (1890-1891), bl. 361 vlg.


1, 4. ghemeyt, in het Duitsch stattlich; zie Antw. lb. nr. 73, bl. 108, str. 3, en nr. 96, bl. 145, str. 3, dezelfde uitdrukking. - 2, 7. t.: my. - 4, 4. t.: wachtet mi; overigens eene slechte vertaling van het Duitsch ‘Weck mich’. Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 239. - 5, 7. t.: en sanck. - 6, 1. t.: Nu segghet mi, seyde si, nachtegale. - 7, 7. Str. 6-7 zijn bedorven. Zie Dr. Kalff, t.a.p., bl. 238-239. Het gansche stuk heeft overigens veel geleden. Na het 4e vers der 6e str. (vgl. in de voorgaande lezing str. 5-7) bestaat eene leemte. Verder zal het na str. 6 en de aan te vullen leemte, ongeveer in dezer voege geklonken hebben (vgl. in het voorgaande lied str. 8-9):
8, 4. t.: holensteen. - 10, 1-7. Str. 10 is zonder het Duitsch in het geheel niet te begrijpen; de eerste twee regels vindt men terug in str. 7 van het Duitsche lied; vs. 3 en 4 komen overeen met de laatste regels van str. 14 in het Duitsche lied, vs. 5-7 zijn de woorden der moeder (Dr. Kalff). - 12, 1. t.: si namen daer dat. - 12, 3. daer, bijgev.
Antw. lb., nr. 158, bl. 234, ‘een oudt liedeken’. Behoort ongetwijfeld tot de 15e eeuw. Zie Dr. Kalff, t.a.p.
Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 54, uitg. D.F. Scheurleer,
bl. 74, ‘Dit is die wise, ghelijck alst beghint’. Evenals de melodie A hierboven, stamt deze zangwijze af van de Hildebrandsmelodie. Dienvolgens moet de hier besproken lezing overal mot f-sleutel op de tweede lijn gezongen worden, en hoeft men een ♭ te voegen bij de b (4en notenbalk) op de syllabe ri van het woord Maria. De lezing door J.C.M. van Riemsdijk, Vier en twintig liederen uit de 15e en 16e eeuw, nr. 6a en 6b, bl. 11-12, onder dubbelen vorm uitgegeven, laat zich niet begrijpen. Dat de verzameling van 1539 menige drukfout bevat, valt niet te loochenen. De laatste notenbalk van nr. 124, bl. 154, bijv. moet gelezen worden met f-sleutel in plaats van c-sleutel op de derde lijn; de tweede, de derde en de laatste notenbalk van nr. 133, bl. 164, met f-sleutel op de tweede lijn, in de plaats van c-sleutel op dezelfde lijn, enz., enz.. In deze laatste melodie, die men vergelijken kan met de oneindig betere lezing van Ps. 75 der Souterliedekens, Antw. 1540, ontbreekt overal de ♭ bij de b. Nog ontbreekt de ♭ bij de b: bl. 62 (3en notenbalk), op het woord aen; bl. 69 (voorlaatste noot), op de syllabe vro van het woord vromen; bl. 79 (2en notenbalk), op de syllabe die, en, voorlaatsten notenbalk, op de syllabe hal van het woord behalven, enz., enz..
Overigens treft men bij Zahn, Die Melodien der deutschen evangelischen Kirchenlieder, III, nr. 4241, bl. 10, naar eene verzameling van 1566, de volgende lezing van onze melodie aan:

Minder goed bewaard komt ons de lezing voor, die wordt medegedeeld door W. Bäumker, Vierteljahrschr. (VI), 1890, bl. 586, naar Geestelijcke harmonie, Emmerick, Samuel Armtsen, 1633, bl. 386. Van zijnen kant stelt B. insgelijks de bedorven notatie vast van Een dev. en̄ pr. b. Ziehier de melodie volgens de verzameling van 1633, met wijsaanduiding ‘Van liefden komt groot lijden’, den tekst door B. onder de noten gebracht:


Het door Lootens en Feys medegedeelde, hierboven aangehaalde lied ‘Komt hier, gij jongmans’, enz., kan van het einde der XVIIIe eeuw dagteekenen. Dit stuk schijnt eene navolging van het Fransche volkslied: ‘Les malheurs de Pirame et Thisbé’ met aanvang: ‘Deux jeunes coeurs jadis’ (43 strophen). Dit laatste lied, dat men o.a. vindt onder de losse bladen bij Pellerin te Epinal gedrukt, heeft wel is waar anderen strophenbouw, maar de gang van het verhaal, waarvan de toestanden, zoowel als in het lied bij L. en F., in Babylonië worden geplaatst, is dezelfde.