
1, 4. Van Paemel en De Coussemaker: van eenen Koning dam. - 2, 2. t.: 't land. - 2, 3. een zoon. - 5, 6. uit leven. - 6, 5. t.: Met duizent. - 7, 1. V.P. sic; de tekst herhaalt hier 6, 1: Men heeft, enz. - 8, 2. doen bijgev. - 8, 4. t.: my trouw. - 8, 8. in 't zand. - 9, 1. Maer bijgev. - 9, 7. V.P. en naar dezen D.C.: voor een goud molen schoon. In den volksroman wordt gesproken van ‘een zeer hooge som: zestig pond goud, honderd staven zilver’, enz. - 11, 1. hier op bijgev. - 11, 4. t.: haer. - 11, 5. t.: muilezel. - 12, 1. aen bijgev. - 12, 3. t.: met krieken. - 14, 1. die bijgev. - 15, 3. 'k zal. - 15, 4. maekt het binnenste. - 16, 1. t.: heeft 't haest. - 16, 2. al bijgev. - 16, 3. haer. - 17, 1. toen bijgev. - 19, 2. t.: en lieten.
De zingende koddenaar, Amst. 1771, bl. 49: ‘Waaragtig Historie-Lied, dat 'er geschied is tusschen een Christen Dogter en een Heidens Konings soon, die malkander in liefde beminden. Stem: Al wat men doet men kan etc.’; - Van Paemel, Los blad, nr. 17, ‘Wonderbaere vryagie tusschen den getrouwen Floris en de beminnenswaerdige Blanchifleur. Stemme: van het droevig nonneken.’ Dit laatste lied, dat insgelijks voorkomt bij Van Paemel, bl. 45, vangt aan: ‘Wat groote droefheyd moet ik nu verdraegen’ en werd gezongen op de wijs: ‘Eylaes wat moet een minnaer lyden’; - De Coussemaker, Chants pop. des Flam. de France, nr. 51, bl. 177, die den tekst van V.P. heeft overgenomen. - De geschiedenis van Floris en Blancefleur, van Oosterschen oorsprong en waarvan twee Fransche lezingen uit de XIIe eeuw bestaan, werd reeds in de XIIIe eeuw door Diederic van Assenede in onze taal in verzen gebracht. In de 15e of 16e eeuw (zie Dr. J. te Winkel, Gesch. der Nederl. Lett., I, 206) werd dit verhaal in proza overgebracht als volksboek, en als zoodanig nog in 1827 te Amsterdam, en nog in 1871 te Leiden, uitgegeven. Voor weinige jaren werd het ook uitgegeven door Deseyn-Verhougstraete te Aalst,
bij wien het nog steeds voorhanden is. Het bovenstaande lied, moderne navolging van het oude gedicht, wordt door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 248, in de XVIIIe thuis gebracht. Dit lied bewijst hoe het daarin behandelde verhaal door de eeuwen heen populair bleef.
De Coussemaker, t.a.p.; gehoord in verschillende plaatsen uit den omtrek van Duinkerken. D.C. doet uitschijnen hoe de leidtoon hier onaangeroerd blijft. Men vindt dien integendeel in de melodie ‘Al wat men doet’ enz. door genoemde liederverzameling van 1771, aangeduid, en o.a. voorkomende in Jan van Elsland's Gezangen, enz., 4en druk, Haerlem, 1738, bl. 190, voor het lied: ‘Zeg, oogjes, die uw volmaekte straelen’.
De tekst ‘Al wat men doet’ komt voor in 't Groot Hoorns... lb., Amst. z.j. (begin der XVIIIe eeuw), II, 150, en voert tot stemaanduiding: ‘Godt groet u goeden morgen’, aanvang van een lied dat insgelijks in laatstgenoemde verzameling, bl. 143, te vinden is, waar het op zijne beurt tot wijsaanduiding heeft ‘Al wat men doet’, enz. Dit laatste lied op de melodie van J. van Elsland gebracht, met behoud van het door dezen laatste gebruikte metrum, klinkt als volgt:

In den grond is deze melodie geene andere dan de zangwijze door D.C. uitgegeven.
Met het opschrift ‘Al wat men doet, men kan geen juffrouw winnen’ vindt men de door J. van Elsland medegedeelde melodie terug onder nr. 308 der O. en n. Hollantse boerenlieties, Amst 2e uitg., z.j. (aanvang der XVIIIe eeuw). - De nieuwe Domburgsche speel-wagen, Amst. 5en druk, (z.j.) bl. 30, wijsaanduiding: ‘Al wat men doet’ enz. voor: ‘Schoon Isabel aenhoord mijn droevig klagen’ (Herder en Graafs dochter). Boertige en ernstige minnezangen, (K. Zweerts), 5en druk, Amst. z.j., bl. 8, ‘toon: Sarabande, of al wat men doet’ enz. De
melodie van de Boerenlieties en van Van Elsland kan inderdaad wel ontleend zijn aan eene Sarabande, den op het einde der XVIe eeuw geboren dans. Het is zeer wel mogelijk, dat deze zang- of danswijs reeds in haren oorspronkelijken vorm met leidtoon klonk. In de lezing te vinden bij D.C. zou die leidtoon dus verdwenen zijn onder den invloed van den ouden toonaard op den volkszang.
Een aanverwant Duitsch lied is niet bekend. Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, nr. 81, bl. 281, geven tekst en melodie naar De Coussemaker.