

1, 3. t.: zijn huisvrou. - 2, 1. Van Paemel: Vernuftig van verstande. - 2, 4, zouden, bijgev.; Van P.: een erfgenaem zou zijn. - 4, 3. Van P.: gelyk een koningin. - 5, 3. was, bijgev. - 5, 4. Van P.: die den graef. - 6, 1. Dr. Gallée stelt danne; verder heeft de druk woondeg, voor het nog dial. woondege, door Dr. G. veranderd in woonder. - 8, 2. Van P.: van fluweel ende zey. - 8, 3. Van P.: ketens, ringen en kroonen. - 8, 4. Van P.: om zyn bruyd te verschoonen als hy ze haelen zoud; t.: halen solde. - 12, 3. Van P.: zonder treken. - 13, 1. sic. Dr. G.; t.: wye; Van P.: myden. - 13, 2. sic. Van P.; t.: riep aan. - 14, 1. Van P.:
Den man zonder verleggen. - 16, 4. sic. Dr. G.; tekst: sou wezen. - 17, 1. t.: tote. - Van P.: wezen verschroomt. 19, 1. Dr. G. teekent aan: ‘ziet, past vgl. Ben. Mhd. Wb., III, 922, 925, 926 i.v. zinken en gezinken’. - Dr. Kalff, Tijdschr. Nederl. Letterk. 1885, 71, noemt het woord ziet hier terecht een stopwoord. Het wordt nog aldus in de Vlaamsche spreektaal gebruikt. - 23, 3. t. en Van P.: omgeroert. Dr. G.: ‘lees omgevoert?’ - 24. Deze strophe ontbreekt bij Van P. - 24, 2. tekst landsvrouwe. Dr. G. stelt landsvrouwen, wat den zin duidelijker maakt. - Geve, sterve (str. 18 en 19) enz. stemt overeen met de uitspraak. - 25, 1. Van P. en Dr. G. aldaar; tekst: daar. - 28, 3. houde = houden. - 29, 2. t. ouden. Van P.: gy meugt al met den houwe. - 31, 1. sic Van P.; t.: kwam in de kamer rat. - 32, 2. sic Dr. G. en Van P.; tekst: mijn heer. - 33, 1. Van P.: sic; t.: was al om te doen kwaal; Dr. G. teekent aan: onverstaanbaar bedorven. - 33, 2. Van P.: zy en weende nog en zugte. - 34, 1. t.: wel hebben. - 34, 2. Dr. G. sic; Van P.: doet er mé dat u belieft. - 34, 3. sic. Dr. G. en Van P.; tekst: verlegen. - 37, 1. sic. Van P. en Dr. G.; tekst: De vrouw met een. - 42, 3. alle, bijgev. naar Van P. - 43, 4. sic.; Van P.; t.: die at patientig. - 44, 4. Van P.: van dees docht(e)r. - 45, 2. sic. Dr. G.; tekst: weet; Van P.: siet vrouwe, gy weet wel. - 46, 1. t.: ongerooft; Van P.: te vertrekken ongetoefd, zooals Dr. G. giste. - 47, 1. Van P.: van hier geraekt. - 51, 3. Van P.: Den ring daer ik mé troude. - 53, 2. Van P.: hy weder nam. - 55, 4. en bijgev. door Dr. G.; sic Van P. - 57, 1. tot door Dr. G. bijgev. die ook schrijft Grisellen voor: Griselle; Van P.: Gautier die sprak tot. - 60, 1. sic Van P.; t.: markgraaf. - 60, 3. Van P.: zonder verlengen = zonder dralen. - 60, 4. sic Van P.; t.: te brengen. - 65, 3. Van P.: het hert moest haar bewelzen. - 68, 4. sic. Dr. G.; tekst: gehoud en. Van P.: zyn leven rykelyke, gehouden in groote eer. - 70. Deze strophe bestaat alleen bij Van P.
Naar een bundel, verschillende drukken bevattend uit de jaren 1771-1776, K. Bibl. te 's-Gravenhage, uitgegeven door Dr. J.H. Gallée, Tijdschrift voor Ned. taal en lett., IV (Leiden, 1884), bl. 1-45, met opschrift: Historie-Lied Hoe de Markgrave van Sulucen (l.: Salucen) trouwde eene arme schamele Boerendogter, die vyftien jaren in zeer groote elende ende droefheid en mizerie gestadig en verduldig overbrogte, dat'er geen man met zyn vrouw moghen leven, als hy met den armen schamelen Grisella syn wyven deede. Genomen uit het boek Johannes Bocatius. 't Amsterdam, by Barent Koene, Boekdrukker, op de Lindegragt 1771. Het lied heeft tot opschrift: Historielied van de verduldige Grisella. ‘Zangswijze gesteld. vois Van de Graaf van Romen’; tekst hierboven weergegeven. - Zooals Dr. Kalff in het voornoemde tijdschrift, V (1885) bl. 68 vlg. bewijst, is deze tekst aan het volksboek van Griseldis ontleend. - Van Paemel, los blad, nr. 24, Jammerlyk liedeken van Griseldis, de verduldige vrouwe, die 15 jaeren geduerende veel tribulatien en verdriet heeft onderstaen, gelyk gy voorder zult hooren. ‘Stemme: van den Graeve van Roomen of Maestricht schoon,’ zelfde tekst, buiten geringe afwijkingen en veranderingen in de taal en spelling.
Lootens et Feys, Chants populaires Flamands, 1879, nr. 50, bl. 98, eerste str. van den Van Paemelschen tekst.
Naar Dr. Gallée vermeldt Dr. Kalff nog ‘een lied van Griseldis’, waarvan Mone, Uebersicht, bl. 138 verslag geeft. ‘Dit gedicht, geen lied,’ voegt Dr. Kalff er bij, ‘werd in het Vaderl. museum IV (1861) bl. 225-242, uitgegeven en toegelicht. Serrure stelt het op naam van Antonius Ghyseleers, maar voert daarvoor geen enkel bewijs aan.’ Zie onze aanteekeningen op ‘Het voer een ridder iagen’, nr. 31 bl. 177 hierboven.
Onzeker is het of dit verhaal, waarmede Boccaccio's Decamerone sluit, door hem aan eene ware gebeurtenis, dan wel aan een Fransch fabliau, Le lai du Freisne, van Marie de France, werd ontleend. Stellig is het integendeel, dat uit de vertaling door Petrarca in 1373 gemaakt, het Fransche en naar dit laatste het Nederlandsche volksboek op hunne beurt vertaald werden. De oudst bekende Nederlandsche druk van Die Historie van der goeder Vrouwe, genoemt Griseldis, is van ± 1500, bij Jacob van Breda te Deventer (in 1849 opnieuw uitgegeven door de Vlaamsche Bibliophilen, te Gent). Zie over dit volksboek en andere bewerkingen van de Griseldis-novelle Dr. Jan te Winkel, Gesch. der Nederl. letterkunde, I, 510, aant. 3. De Historie van Griseldis de zachtmoedige wordt nog heden met de Historieën van Helena de geduldige en Florentina de getrouwe, gedrukt en herdrukt bij den uitgever Snoeck-Ducaju te Gent.
T. De wijs ‘Van den Graeve van Roomen’ behoorde zonder twijfel bij het lied waarvan de Nederlandsche tekst niet teruggevonden is, maar dat in het Duitsch nog bestaat. Men treft het aan bij Böhme, Altd. Lb., nr. 7, bl. 38 en bij Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, 1893, I, nr. 29, bl. 93; de iastische melodie is ontleend aan M. Praetorius (1609).
Deze zang moet vroeger zeer populair geweest zijn; bij Van Paemel wordt hij nog vermeld voor de liederen ‘Gy mans en vrouwpersonen men zal u zingen hier’ (Historielied van Helena), blad 27, en ‘Aenhoort dit lied zeer kragtig en jammerlyk afgrys’ (Liedeken van de vier koopmans), blad 68. Hij wordt nog aangegeven in de Geuzenliederen: ‘Wy Amsterdammers zijn gheleghen’ (Claechliedeken van Amsterdam) en ‘Hoort toe alle gelijcke’ (Vande heerlycke triumphe over 't vertrec der Walen uit Groeninghen, 1576). Zie Van Lummel, bl. 216 en 279.
Erk en Böhme meenen, dat deze melodie in den grond dezelfde is als degene welke men aantreft in Een devoot enĚ„ profitelyck boecxken, Antw. 1539 voor het lied ‘Sal ick sijns langhe ontberen’. Zie dit lied in onze verzameling.
II. Lootens et Feys, t.a.p.. Deze zang is in den grond geen andere dan de melodie van 't Wilhelmus. Wat de tweede bij Van Paemel aangeduide wijs betreft, zie in onze verzameling het lied: ‘Maestricht, gy schoone stede’.