
14, 2. t.: aen gaen. - 14, 5. t.: geloont.
Antw. lb., nr. 141, bl. 210; ‘een oudt liedeken’. Vgl. str. 1 en 11 met str. 1 en 5 van ‘O lacen hoe macht wezen’. Naar alle waarschijnlijkheid hadden beide liederen dezelfde melodie. Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 275-6, 328-9.
Souterl. 1540, Ps. 148, ‘Wilt loven God den Heere’ - ‘nae die wise: Rijck God, hoe mach dat wesen // dat ick soe truerich bin’; - daarna J. Fruytiers, Ecclesiasticus, 1565, nr. 90, bl. 170, voor: ‘Waerom schaemt ghy u hier mijn woort.’