
1, 1. Het wasser, sic, Luitb. Thysius; Antw. lb.: Het was te. - 1, 3. Lb. met embl.: hief op een liet. - 3, 1. t.: hadde. - 5, 3. en vlg.; verg. Antw. lb., nr. 79, bl. 118, str. 6, 7. - 6, 4. na dit vers volgt nog ‘en van uwen cleyne kinde’, zoodat de str. uit vijf verzen bestaat.
Antw. lb., nr, 194, bl. 298; ‘een nyeu liedeken’, hierboven weergegeven; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 59, bl. 153, ‘De verlatene’, naar het Lb. met emblemata, Hs. nr. 19544, der K. Brusselsche Bibl., zonder wijsaanduiding, met eenige veranderingen aan den tekst, die nagenoeg dezelfde is als de voorgaande; - Nr. 13 van het Hs., gevoegd bij een exemplaar der Souterliedekens 1540, Bibl. Leiden, beschreven door P.A. Tiele, Dietsche Warande, 1869, bl. 572, insgelijks zonder wijsaanduiding. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 275, 344, 356, 361. - Aangeh. als stem in Refereynen ende liedekens van diversche Rhetori-
cienen, enz., Brussele, bij Michiel van Hamont, 1565, bl. 44vo. ‘Het was een nacht wel alsoo soeten nacht // dat alle de voghelkens songhen, etc.’ voor het lied: ‘Verblijt inden gheest, die eens waer bedroeft’, gezongen door de Violieren van Antwerpen op het prinsfeest der Corenbloeme van Brussel. - ‘Volgens de tafel van Een Amst. amor. lb., 1589, beschreven door Dr. J. Bolte, Tijdschrift voor Nederl. taal- en letterk., 1891, bl. 175 vlg., kwam het lied ook voor op de thans verloren bl. 80, van dezen bundel. In dit lb. wordt het nog vermeld, bl. 157a, als wijs, voor: ‘U liefde quelt mijn totter doot’. Zie dit lied in onze verzameling.
Naar Dr. Land, Luitb. van Thysius, nr. 29: ‘Het wasser te nacht’ en daar genoteerd:

Fl. van Duyse, 6 oude Nederl. ldr., Gent, 1891, nr. 3, bl. 11, vierstemmige bewerking.