
1, 5. t.: pourtante. - 1, 6. t.; viveray en langeur.
Amst. amor. lb., 1589, bl. 37a, ‘een nieu liedeken, op die voys: Brand Matresse,’ uitgegeven door J. Bolte, Tijdschr. voor Nederl. taal- en letterk., Leiden 1891, bl. 192, hierboven weergegeven; - Nieu Amst. lb., 1591, bl. 62, zelfde wijsaanduiding; str. 7 ontbreekt, het refrein luidt daar:
Het refrein ‘Pourtant que ie suis brunnette’, wordt aangeh. in Den boeck der gheest. sanghen (Bliden requiem). Ghendt, 1674, bl. 62, voor: ‘Mijn hert' wenscht op te breken’. - De ‘chanson’ XXXVI van C. Marot, met aanvang ‘Pourtant si je suis brunette, // amy, n'en prenez esmoy’, heeft anderen strophenbouw.
‘Nachtegael int wilde etc.’, als stem aangeh. door K. van Mander, Gulden harpe, 1627, bl. 522; voor: ‘Schriftuere doet ons weten’.
‘Brande Matresse’ wordt aangeh. in Den nieuwen verbeterden lust-hof, Amst. 1607, bl. 27, voor: ‘Och waer ic sonder treuren’.
Dr. Land, Luitboek van Thysius, nr. 406, ‘Brande Matresse’ voor ‘Bransle matresse’, de Bransle of Branle is oorspronkelijk een oude Fransche dans:

Dezelfde zangwijs diende voor het lied ‘Wellustighe ionghelingen // dat edele meysjen fijn’, met stemaanduiding: ‘Portant que je soys brunette’, 4 str. Amst. am. lb., bl. 157b, en Nieu Amst. lb., bl. 30, met wijsaanduiding ‘Brande matresse’. ‘Wel lustige jongelingen’ wordt aangeh. als wijs voor Brederoo's lied: ‘Snachts rusten meest de dieren’, 1622, herdrukt door J.H. Scheltema, Nederl. ldr. uit vroegeren tijd, 1885, bl. 112. Zie mede het lied: ‘Christus is ons verrezen, // o menschen zijt verheucht’.