|
|
|
| |
| | | |
65.
Het viel eens hemels douwe.

Het viel eens hemels douwe
voor mijns liefs vensterkijn,
ick en weet geen schoonder vrouwe,
si hout myn herte bevangen
twelck is so seer doorwont,
mocht ic noch troost ontfanghen,
so waer ic gansch ghesont.
Die winter is verganghen,
ic sie die looverkens hangen,
die bloemen spruyten int cruyt;
daer ist genoechlijc zijn,
daer singhet die nachtegale
ende so menich voghelkijn.
Ic wil den mey gaen houwen
voor myns liefs vensterkijn,
ende scencken myn lief trouwe,
ende segghen: ‘lief, wilt comen
voor u cleyn vensterken staen,
ontfaet den mey met bloemen,
hi is so schoone ghedaen.’
| | | |
daer lagen si twee verborghen
een corte wijle ende niet lanc,
hief op een liet, hi sanck.
die schaf hem balde van daen,
ic sie den dach op dringhen,
al in dat oosten op gaen.
Nu schaft u balde van henen
Den tijt sal noch wel keeren,
dat ghi sult zijn verblijt.’
- ‘Och swighet, wachter, stille
ende laet u singhen staen:
daer is so schoonen vrouwe
si heeft mijn herte genesen,
twelc was so seer doorwont,
och, wachter goet, gepresen,
- ‘Ic sie den dach op dringhen,
tscheyden moet ymmer zijn;
ic moet mijn dageliet singen,
wacht u, edel ruyter fijn,
ende maect u rasch van henen
den tijt sal noch wel comen,
dat ghi sult zijn verblijt.’
1, 7. noch bijgev. - 4, 2. t.: lief in. - 4, 4. t.: camerken. - 6, 1. och, bijgev.
| |
Tekst.
Antw. lb. nr. 74, bl. 110, ‘een oudt liedeken’, hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr. nr. 62, bl. 149; - Uhland, Deutsche Volksldr. nr. 82, en Willems, Oude Vlaemsche ldr., nr. 151, bl. 359, geven slechts de eerste drie strophen; - Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 283, is van meening, dat deze drie strophen een op zichzelf staand Meilied uitmaken en dat daarentegen de laatste vier strophen, waarbij mogelijk eene andere aanvangstrophe heeft behoord, een Wachterlied vormen. Van een anderen kant, vindt men de tweede en de derde strophe terug in het fraaie lied ‘Die winter is verganghen’ (nr. 73 hierna), zoodat een verloop van strophen wel degelijk heeft plaats gehad.
‘Het viel een hemels douwe’ wordt o.a. aangehaald als wijs: Paradiis der gheest. vreuchden, Antw. 1617, bl. 230, voor: ‘Hoort toe wat ick u leere’; - Van Mander, De gulden harpe, Haerl. 1627, bl. 451 en 620, voor: ‘Of ick ghehanghen konde’ en ‘Wy hebben een stadt ten besten’. - Den boeck der gheesteliicke sanghen (Bliiden requiem), Antw. 1631, bl. 99, voor: ‘Pur staet die siel van binnen’; - H.G. Bolognino, Den gheest. leeuwercker, Antw. 1645, bl. 14, voor: ‘Godts gheest is comen dalen’ - 1ste str. van den Nederl. tekst en Duitsche vertaling van de eerste drie strophen: Böhme, Altd. Lb., nr. 113, bl. 211, met andere melodie dan de twee onmiddellijk voorgaande zangwijzen, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, 393a, bl. 203, zooals reeds hierboven, bl. 322, is gezegd, met de melodie van nr. 64. Uit den aanhef: ‘Es fiel ein küler tawe // zu einem fenster in’, voorkomende in een ‘Quodlibet’ van 1544, door W. Smeltzel, blijkt, dat de tekst vroeger ook in Duitschland was bekend.
| |
Melodie.
Den boeck der gheest. sanghen, t.a.p.
| | | |

Pur staet die siel van bin - nen/
die haer geeft tot - ter deught;
Sy moet haer self door - bre - ken/
om Godt te schou - wen aen:
om Godt te hoo - ren spre-ken/
moet sy self stom - me staen.
Sy moet on - deugt ver - win - nen/
sou' God zijn ha - re vreught;
Willems, t.a.p., geeft deze melodie zeer onnauwkeurig weder. Van W. ging zij over tot de Duitsche studentenliederen. In Allgemeines Reichs-Commersbuch, Leipzig, 1890, bl. 66, nr. 26, onder den titel: ‘Der Mai, Flandrisches Volkslied, übertragen von Karl Christian Tenner, 1859. Altere Volksweise 1631, erneuert 1848 und 1860’, vindt men een lied met aanvang ‘Es fiel ein Himmelsthaue’ en met de melodie naar Willems' onbeholpen uitgave.
|
|
|