|
|
|
| |
| | | |
66.
Ic sie die morgen sterre.
| |
Eerste melodie.

| |
Tweede melodie. (Variante).

‘Ic sie die morgen sterre,
mijns lievekens claer aenschijn;
men salse wecken met sange,
‘Wie isset die daer singhet
ende mi niet slaepen en laet?
Hi sal zijn singhen laten,
voorwaer segge ic hem dat.’
- ‘Dat ben ic, ridder coene,
wanneer suldijs mi loonen
alle mijn sanghes arbeyt?’
- ‘So coemt noch tavont spade
al voor mijns vaders hof!
al daer sal icx u loonen,
en segt daer niemant of.’
| | | |
Den dach die nam een eynde,
die ionghelinc quam al daer,
‘Nu staet, ghi ioncheer, stille
ick moet noch eerste weten
wat loon ic soude ontfaen.’
- ‘Bergen ende lant, schoon ioncfrouwe,
ende boven alle die daer leven
suldi die alderliefste zijn.’
- ‘Sal ic boven alle ioncfrouwen
mijns lijfs geweldich zijn.’
al onder een lindeken groene,
die nachtegael daer op sanc.
Hi liet zijn mantel glijden
om dat zijn vergulde sporen
vanden douwe niet en souden werden nat.
Daer lagen si twee verborgen
vanden avont totten morghen,
tot dat scheen den lichten dach.
2, 1. t.: Wie ist. - 4, 1. so, bijgev. - 4, 4. t.: af. - 6, 1. ghi, bijgev.
| |
Tekst.
Antw. lb., nr. 96, bl. 145, ‘een oudt liedeken’, hierboven weergegeven; - Uhland, Volksldr., nr. 76c; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 67, bl. 173, zonder str. 11; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 58, bl. 142; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 35a, bl. 106. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 295.
Hoffmann v.F. meent, dat de rijmen 2, 2. 4. laet: dat, en 10, 2. 4. gras: nat, op een Duitsche bron wijzen. Alhoewel men met Dr. Kalff t.a.p., bl. 297, gaarne zal aannemen, dat onze wachterliederen onder Duitschen invloed zijn ontstaan, kunnen de door H.v.F. aangehaalde rijmen daarom nog niet als een afdoend bewijs van rechtstreeksche Duitsche afkomst gelden, te meer daar tot hiertoe slechts aanverwante Duitsche teksten bekend zijn. Deze teksten met aanvang: ‘Ich sach den liechten morgen’ en ‘Er ist der Morgensterne’, zijn o.a. te vinden bij: Uhland, t.a.p., nr. 76, a en b; - Böhme, Altd. Lb., nr. 110 en 109, bl. 207 en 205; - Erk u. Böhme, t.a.p., nr. 47 en 35b, bl. 162 en 108.
| |
Melodie. I.
Deze melodie is ons bewaard gebleven door eene 15e-eeuwsche vergeestelijking: ‘Ic sie die morghensterre // Heer Jesus claer aenschijn’ (zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling), en komt voor in het 15e-eeuwsch Hs. van Weenen, 7970, waar zij dienst doet voor de liederen: ‘Maria Coninghinne,// myn troest, myn toeverlaet’ en: ‘Siet, wy moeten vervaren’. Zij werd voor het eerst uitgegeven door Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., Vierteljahrsschrift, 1888, nr. 6 en 6b, bl. 177 en 178. Zie de twee door Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 29, en 30, bl. 73 en 74, gedrukte lezingen van dit laatste lied, die beurtelings tot
| | | |
wijsaanduiding dragen: ‘Ic sie des morghens sterre’ en: ‘Ic sie die morghensterne // mijns lieves claer...’
Naar het Berlijnsch HS., Ms. germ. 8, 190 deelt Bäumker, bl. 177, eene variante van de bovenstaande zangwijs mede, die insgelijks diende voor het lied: ‘Maria coninghinne’.
| |
II.
(Variante). Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 204, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 236, en vlg., ‘dat is die wyse ghelyck alst beghint’, voor: ‘Ic sie die morghen sterre // Heer Iesus claer aanschijn’, en andere geestelijke liederen, waaronder het bovengenoemde lied: ‘Maria coninghinne’.
Deze fraaie zangwijs hield gedurende eeuwen stand. Bäumker, t.a.p., bl. 178, geeft ons eene lezing te kennen naar Bamberger Gesangbuch, 1628, en dezelfde schrijver deelt in Das Katholische deutsche Kirchenlied, I, nr. 29, bl. 270, en II, nr. 69, bl. 133, andere lezingen mede naar Cölner Psalter, 1638, en Geistl. Nachtigall, 1666.
|
|
|