terug  begin  verderprepost
[p. 329]

67.
Den dach en wil niet verborghen zijn.



illustratie

 
1.
 
‘Den dach en wil niet verborghen zijn,
 
het is schoon dach, dat duncket mijn.
 
Mer wie verborghen heeft zijn lief,
 
hoe noode ist dat si scheyden.’
 
2.
 
- ‘Wachter, nu laet u schimpen zijn
 
ende laet hi slapen die alder liefste mijn!
 
Een vingerlinck root sal ic u schincken,
 
wildy den dach niet melden.’
 
3.
 
- ‘Och meldic hem niet, rampsalich wijf.
 
het gaet den iongelinck aen zijn lijf;
 
hebdy den schilt, ick hebbe die speyr,
 
daer mede maect u van heyr!’
 
4.
 
Die ionghelinck sliep ende hi ontspranck,
 
die liefste hi in zijn armen nam:
 
‘en latet u niet so na ter herten gaen,
 
ick come noch tavont weder.’
[p. 330]
 
5.
 
Die ionghelinck op zijn vale ros tradt,
 
die vrouwe op hooger tinnen lach;
 
si sach so verre noortwaert inne
 
den dach door die wolcken op dringhen:
 
6.
 
‘Had ick den slotel vanden daghe,
 
ic weerpen in gheender wilder Masen,
 
oft vander Masen tot inden Rijn
 
al en soude hi nemmeer vonden zijn.

1, 2. t.: mi. - 3, 1. t.; Och melt hem.

Tekst.

Antw. lb., 1544, nr. 19, bl. 25, ‘een nyeu liedeken’, hierboven weergegeven; - Amst. amoreus lb., 1589 (beschreven door Dr. J. Bolte, Tijdschr. v. Nederl. taal- en letterk., Leiden, 1891, bl. 175 vlg.), bl. 32b, ‘op de wyse: alsoot beghint’; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 66, bl. 172; - Uhland, Volksldr., nr. 78; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 64, bl. 152; - Nederl. lb., uitg. Willems-Fonds, Gent, II, nr. 53, bl. 42. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 294. - Böhme, Altd. Lb., nr. 103, bl. 199, en Erk u. Böhme, Deutsche Liederhort, II, nr. 810, bl. 611, Duitsche vertaling. - Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 101, bl. 199, aanvang van 6 str. hierboven, wijsaanduiding: ‘Haddic den slotel van den dach // ic worpse’, voor het 15e-eeuwsch lied: ‘Jesus minne heeft mi ghewont’.

Melodie.

Souterl. 1540, Ps. 47, ‘Groot is die Heer, ghepresen seer’ - ‘na die wise: Den dach en wil niet verborgen sijn // het is schoon...’; - Nederl. lb., Willems-Fonds, t.a.p.; - Böhme; - Erk u. Böhme, t.a.p.

De melodie ‘alst begint’, van een lied met het jaartal 1531, te vinden, bl. 11, in Een geest. lb., door D(avid) J(oris), z.j. noch pl. v. dr., vermoedelijk van het einde der XVIe eeuw (zie Dr. F.C. Wieder, Schriftuurlijke liedekens, 's Grav., 1900, Regist., nr. 124, en bl. 165), heeft alleen voor den aanvang eenige gelijkenis met de bovenstaande zangwijs:



illustratie

 
Den dach mach niet ver-bor-gen sijn/
 
Op dit ter-mijn:
 
Daer He - mel und' aer-de so schoon in staet, enz.

prepostterug  begin  verder