terug  begin  verderprepost
[p. 354]

78.
Schoon lieveken, waar waarde gij?



illustratie

 
1.
 
- ‘Schoon lieveken, waar waarde gij den eersten meiennacht,
 
dat gij mij geenen mei en bracht?’
 
- ‘Den eersten meiennacht, schoon lief, dan was ik ziek!
 
Schoon lieveken, ik kon er van mijn beddeken niet.’
 
2.
 
- ‘Schoon lieveken, waar waarde gij den tweeden meiennacht,
 
dat gij mij geenen mei en bracht?’
 
- ‘Den tweeden meiennacht, zocht ik eenen eglantier,
 
schoon lieveken, sta op en uwen mei is hier.’
 
3.
 
- ‘Ik en sta er, voorwaar, voor uwen schoonen mei niet op,
 
of en zal er mijn venster niet ontsluiten.
 
Uwen mei die komt te laat! Plant vrij hem op de straat.
 
Schoon lieveken, plant uwen mei daar buiten.’
 
4.
 
- En als ik mijnen mei hier buiten planten zal,
 
en zal het u dan niet verdrieten?’
 
- ‘Neen! Zijt dan maar verblijd! Met den lieven meientijd,
 
met den mei zal hij wederom schieten.’
[p. 355]

Tekst en melodie.

Pol de Mont, Volkskunde, II (1889), bl. 71, en III (1890), bl. 17, mondelinge overlevering uit Wambeke (Brabant). Uit deze latere bewerking van het lied ‘Schoon lief, hoe ligt gy hier en slaept’, blijkt, dat de dichterlijke gewoonte van het meiplanten, tot heden toe in onze gewesten voortleeft. In den Zuid-Westhoek van Oost-Vlaanderen brengen de jongelingen, op Meiavond en de negen volgende avonden, aan de jonge dochters eenen mei, tak of plant, waaraan de eene of andere beteekenis, verschillende van persoon tot persoon, vast is. Tot deze zinnebeelden behooren: een palmen mei, buksboomtakje, - eeuwig groen: eene jonge dochter die altijd even frisch blijft; een paaschen mei, van wilgenhout, - het te vroeg uitbotten, of uitloopen, eene die te vroeg verkeert, enz.; zie Volkskunde, II, t.a.p.. Uit ons lied leidt P.d.M. af, dat de egelantier werd opgevat niet alleen als zinnebeeld van den doodslaap, zooals Snellaert, op Willems' Oude Vl. lied., bl. 238, leert voor het lied: ‘Daer is een maget vroeg opgestaen’, maar dat die boom ook als zinnebeeld der liefde gold. Inderdaad in onze oude liederen wordt de liefste steeds vergeleken met ‘eglantier, acoleye, violier, rosier, balsemier’. Zie Antw., lb., nrs. 7, str. 1; 43, str. 4; 117, str. 6; 118, str. 1 en nr. 172, str. 4. Zie mede Volkskunde, XI (1898-99), bl. 1 vlg., Meigebruiken in Vlaams-België, door Pol de Mont, en zelfde tijdschrift, XII (1899-1900), bl. 192, Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, door A. de Cock. Ook in Frankrijk, namelijk heel Franche-Comté door, bestaat nog het meiplanten; zie Revue des trad. pop., Paris, XIV (1899), bl. 299.

prepostterug  begin  verder