2, 8. t.: bespoeyen. - 5, 1. t.: vergadert. - 6, 5. t.: ioncste.
Antw. lb., nr. 27, bl. 39, ‘een nieu liedeken’, hierboven weergegeven. Onder de meiliederen aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E, bl. 301, 305 - 6, 334, 356.
Souterl., Antw. 1540, Ps. 73, ‘Waerom wilt ghi ons verlaten?’ - ‘nae die wyse: Den mey staet vrolijck in sinen tijt // met loverkens ombehanghen’ (zie de tafel en op het einde der verzameling: ‘Moyses lofsanck)’. - Fruytiers' Ecclesiasticus, Antw., 1565, nr. 15, bl. 38, bevat een liedeken op de wijze: Den lustelycken mey is’, enz., waarvan de melodie, buiten enkele varianten, de melodie (van Ps. 73 teruggeeft. ‘Den mey staat vrolijck’ kan aldus de aanvang zijn van een ‘oudt’ liedeken, dat nr. 27 Antw. lb. voorging. - Volgens Een Amstelr. amor. lb., 1583, bl. 23b, beschreven door J. Bolte, Tijdschr. voor Nederl. taal- en letterk., Leiden, X, bl. 178, werd nr. 27 Antw. lb. voorgedragen ‘op die wyse: Die mey moet wech na 't somers (saysoen)’, aanvang van nr. 24 Antw. lb.; zie hierna. Dit lied wordt echter in laatstgenoemde verzameling insgelijks ‘een nieu liedeken’ genoemd. - Deze melodie is uiterst populair geweest, zooals blijkt uit het groote aantal oude liederboeken waar zij wordt aangehaald; zie onze Oude Nederl. ldr. mel. uit de Souterl. bl. 319-325, en onder de geestelijke liederen onzer verzameling het lied: ‘Den lustelijcken mey Christus plaisant’, op eene variante van dezelfde melodie berustend. Zie mede de liederen: ‘Den mey moet wech’, - ‘Den sin verblijdt,’ - ‘Wt vreuchden wordt hier een liedt ghesonghen’.
De melodie in haren oorspronkelijken vorm klonk iastisch, in g, zonder accidentalen. De vormen:

behooren integendeel niet meer tot den ouden volkszang, maar wel tot de meerstemmige muziek, waar zij, zooals in de driestemmige bewerking van Clemens N.P., 1556, de hierboven aangeduide accidentalen aannemen. Deze accidentalen drongen dan ook later in den alleenzang. Dit blijkt voor de hier besproken zangwijs uit de lezing voorkomende in Het prieel der gheestelijcke melodie, Brugghe 1609, bl. 90 (zie onze Oude Nederl. ldr. enz., bl. 323).
Tot in de XVIIIe eeuw bleef deze zangwijs in zwang; men vindt ze nog gemoderniseerd terug, met het opschrift: ‘Genoegelijke mey’, onder nr. 131 van Oude en nieuwe Hollantse boerenlieties, Amst. 2e druk:
