
2, 1. Al, bijgev.
Antw. lb., 1544, nr, 76, bl. 113, ‘een nyeu liedeken’. Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 163, 305, 332, 345. De Lichtgheladen (1, 1), de Rosiers en de Vreugdenaers (6, 5) zijn de namen van drie vroegere Iepersche Kamers. De Lichtgheladen, die onder de bescherming van Maria van Alsemberghe stonden, worden, zoowel als de Rosiers, meermalen genoemd door den Ieperling Claude de Clerck (1618-1640); zie de uitgave van zijne gedichten, bezorgd door C.P. Serrure, voor rekening der ‘Vlaemsche bibliophilen’, Gent, 1869. - Dr. Kalff is dan ook niet langer van meening, dat het hier Delfsche jongelingen geldt die ‘des meys engien’ komen planten, te meer daar in de spelling van het Antw. lb. de hoofdletter van het woord Delft (5, 9) geene bijzondere beteekenis heeft. In str. 5 worden God en Maria aangeroepen, opdat zij ‘ons Kaerle’, Keizer Karel en zijne vrienden, zouden bewaren; ‘delft minyoot’, enz. wil zeggen: roep Maria aan, verberg, verschuil u in haren schoot, opdat het godvruchtige volk voor allen aanval beveiligd, moge verdienen
het hemelsch brood, de hemelsche zaligheid. - De woorden ‘intrey’ en ‘fonteyne’ (1, 4; 2, 1) zouden doen denken aan een figuurlijk rederijkerslied, gezongen op de intrede van het Landjuweel ingericht door de Gentsche Fonteyne op 12 Juni 1539. De ‘scoone vrouwen’ (1, 5) en de ‘reyn armkens blanck’ (2, 9), daarbij de wensch om te ‘gecrigen die ons so wel aenstaet’ (3, 5-6), zouden slaan op den verlangden rederijkersprijs. Het blijkt echter uit de te Gent in 1539 gedrukte Spelen van sinne, dat er maar één Iepersche Kamer, de Alpha en Omega, onder kenspreuk: ‘Spiritus flat ubi vult’, aan het voornoemde Landjuweel deel nam. Er bestond overigens ook eene Kamer der Fonteinisten te Loo (Veurne-Ambacht), en eene andere te Kortrijk (Belgisch-Museum, Gent, II (1838), bl. 368, en III (1839), bl. 8).
Dat ons lied echter niet in den gemelden zin allegorisch is op te vatten, spruit uit dit enkele feit, dat het reeds vóor 1539 populair was, daar de aanvangsregel reeds toen tot wijsaanduiding diende (zie hierna aant. op de melodie).
Het woord bischop te vinden in str. 2, doet zich ook voor in nr. 192, bl. 295, Antw. lb.:
Volgens Dr. W.L. de Vreese, Een spel van sinnen van Charon, 2e druk, Antw. 1896, bl. 60, zou dit Sint Jooris bisschop kunnen eene verkeerde lezing zijn voor vischsop, en waarschijnlijker nog eene poging om de oorspronkelijke uitdrukking Sint Joris vissop, waarvan de verklaring in het sexueele te zoeken is, te verduidelijken toen de herkomst daar van niet meer was bekend.
Dat bischop stranck, enz. zou dus beteekenen: het minnevuur ons daartoe bracht.
Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 87, bl. 112, ‘dit is die wise van ‘Hier comen drie lichte gheladen, of het gaet op O mey, God danck’, wijsaanduiding voor het Marialied: ‘O fluer van allen vrouwen’. De bovenstaande zangwijs is oud; misschien is de wijsaanduiding ‘O mey’, enz. de aanvang van een meilied, waarvoor deze melodie oorspronkelijk diende.