|
|
|
| |
| | | |
83.
O tijt zeer lustich.

| | | |
O tijt zeer lustich vol melodyen,
o tmeys seysoen edel, zonder ghenoot,
als ghijt vervroeyt al en doet verblyen,
blijft my, laes, mijn hertkin swaer als een loot.
Deur tfel ghepeys sterf ic de doot,
dat doet, helas, tverlanghen groot
O Godt Cupido, rasch, zonder traghen,
laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodschap draghen.
Deur haer zoo lyd' ick seer groote onvrame,
peysen end' herpeysen valt my rebel,
den dach is altijts my onbequame,
meest deel tsnachts soo waeck' ic vol pynen fel.
Wien zou ghenoughen zulk en spel
Gheen tijt ben ic sonder ghequel
O Godt Cupido, rasch, zonder traghen,
laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodschap draghen.
Drucx heb ick, conner meer dan ick wensche,
nemmermeer gheen troost, maer al teghenspoet;
niet en verandert soo zeer den mensche
als alleene de nieuwe minne zoet.
Wie zou ghedincken zulcken gloet,
tFier baerdt hem selven, wies men doet
| | | |
O Godt Cupido, rasch, sonder traghen,
laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodschap draghen.
Dat ick dus dichte met goeder moeten,
in bosschen, op velden, al mijn ghebreck,
dats mijnder pijnen een groot verzoeten.
Gheen vriendt soo ghetrouw die ics doe ontdeck;
ick vreese te zeer den valschen beck
mocht ick haer zelf doen een vertreck,
O Godt Cupido, rasch, sonder traghen,
laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodschap draghen.
Vlieght wt t' bosch derwaerts als nu ten tyde,
seght dees schoon princesse dees woorden net:
dat ick in boomen ons minne snijde,
als die groeyen, groeyt ooc ons liefde met;
believet zoo vrou Venus wet
ick leve in hope, ken mach niet bet
noyt gloedt was soo quaedt
laes, wies werdt bequolen,
O Godt Cupido, rasch, sonder traghen,
laet haer dat ander cleen voghelkin mijn boodschap draghen.
3, 1. conner = conde - er, van connen, als synon. van kennen. - 3, 7-8 = het
| | | |
vuur onderhoudt zichzelf, herteelt voortdurend zichzelf door zijn brand, wat men ook doet. - 3, 14. = zooals wij zeggen. - 4, 4. doe ontdeck = bekend maak. - 4, 7. doen een vertreck. Vertrekken = verhalen, dus mocht ik persoonlijk tot haar spreken. - 5, 13. = wat ook door mij bezuurd worde.
| |
Tekst en melodie.
Matthijs de Casteleyn, Diversche liedekens, Ghent, 1574, nr. 23, bl. 54. Dit lied ontbreekt in de uitgave van Rotterdam, 1616. - Het tweeste musyckboeksken, Antw. Tielman Susato, 1551, nr. 47, variante van de eerste strophe en van de melodie in de vierstemmige bewerking van T.S. zelven. De melodie in tenor. Deze eerste strophe werd herdrukt door J.C.M. van Riemsdijk, in Tijdschr. voor N.-N. muz.gesch., III, bl. 91. De hierboven onveranderd weergegeven zangwijs is blijkbaar ontleend aan eene meerstemmige bewerking. - Aangeh. als stem in Refereynen ende liedekens van diversche Rhetoricienen, Brussel, 1563, bl. 141, voor: ‘O tijt zeer lustich / die elcken verheucht’.
|
|
|