Naar Stalpaert, 1631.

7, 7. al bijgev.
Het Brabandts nachtegaelken met sijn dryerley gesangh, Brussel 1656, bl. 70, ‘stem: Flora komt nu ten dans’.
I. Stalpaert, Extractum catholicum, Antw. 1631, bl. 48, en zelfde melodie, bl. 641, telkens met stemaanduiding: ‘Edel' artisten koen’, voor de liederen: ‘Onsalig creatuir’, en ‘Rechtvaerdig zydy, Heer’. Gansch andere zangwijs, ‘op de wijse: Edel artisten koen’, in Den bliiden requiem, 1631, bl. 180.
Aangehaald als stem in Nieuw Geuzenliedboek van van Lummel, bl. 431, voor: ‘Ghy steden stout en koen’, te plaatsen tusschen 1611 (benoeming van den Arminiaan Vorstius tot hoogleeraar te Leiden en begin der bemoeiingen van steden
en Staten Generaal en Prins Maurits in de godsdiensttwisten) en 1619 (einde der Synode van Dordrecht en beslechting dier twisten); - De Schadt-kiste der philosophen, Mech. 1621, bl. 232, voor een lied: ‘Edele gheesten vroet’, met zinspreuk: ‘Timmert met liefde’, en uitgaande van den ‘Knaep van de jonge Yreuchden Blomme binnen Bergen op den Zoom’; - I. Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 378, en 562, voor de liederen: ‘Ursmarus end' Ermijn!’ en ‘Cunera! hebt goe moed!’ - H.G. Bolognino, Den gheestelycken leeuwercker, Antw., 1645, bl. 479, voor: ‘Die ick heb langh ghesocht’; - C. Maertsz, Stichtelyke gesangen, Hoorn, 1661, bl. 342, voor: ‘Mijn pen wil het ghebruyck’. - 't Groot achter-hofken, Alckmaar 1664, bl. 96, ‘stemme: Edel artisten koen ofte Ick heb gesien den tijdt’, voor: ‘Wat of het eelste zy’.