
1, 3; 4, 3; 13, 2. t.: w = u; vgl. 15, 3. - 4, 4. wy willen vruecht vruecht hantiren. - 6. Strophe met kleiner letter geschreven, doch vermoedelijk van dezelfde hand. - 7, 1-3. Wat hier ontbreekt is uit het Hs. verdwenen. - 8, 2. t.: valste. - 9, 3. t.: onghemaeckt. - 9, 4. t.: vergulden apt. - 14, 1-3. Wat hier ontbreekt is uit het Hs. verdwenen. - 16, 2-4. enz. Wat ontbreekt is in het Hs. open gebleven. - 18, 2. t.: hoe staedy hier in licht, enz.
Antw. lb., 1544, nr. 20, bl. 26, ‘een liedeken van sint Jacob’; overg. door Uhland, Volksldr., nr. 303; - aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 409.
Hs. vroeger in het bezit van C.P. Serrure, thans ter Gentsche Bibliotheek berustend; door hem beschreven in Vaderlandsch Museum, Gent, IV (1861), bl. 181 vlg., en aangeh. door Mone, Uebersicht, 1838, bl 138, § 133, die bl. 240, § 329, ons lied vermeldt ‘mit dem Beisatz anno 1518 dem 14 Apr.’ en het een ‘historisch Lied’ noemt. - Waarschijnlijk gaat deze lezing uit van iemand, die haar volgens zijn geheugen opschreef en hierin niet al te wel door dit geheugen werd gediend.
Volgens de legende werd in 829 het stoffelijk overblijfsel van den apostel Jacobus (Santiago), den jongere, den beschermheilige van Spanje, gebracht in de hoofdstad van het Koningrijk Galicië, in de provincie Coruña, ter plaatse die van daar Santiago de Compostéla werd genaamd. Vanouds werd deze stad eene beroemde bedevaart-
plaats, waar ieder pelgrim een getuigschrift (compostéla) van zijn bezoek ontving. Op hunne hoeden droegen de bedevaartgangers vroeger eene schelp, die den naam van St. Jacobsschelp verkreeg.
Dr. Kalff, t.a.p., doet opmerken, dat, ofschoon bedevaarten in vroegeren tijd niet tot de zeldzaamheden behoorden, toch weinig pelgrimsverhalen onder onze liederen te vinden zijn. Andere St. Jacobsliederen hebben nochtans ten onzent bestaan, zooals blijkt uit de wijsaanduidingen:
a. ‘Wie Sint Jacobs broeder wilt zijn’, aangeh. in Alle de Psalmen des H. coninklyken Propheten Davidts, z.n.n. pl. 1567 (zie Wackernagel, Lieder der niederl. Reform., bl. 22-24), en in Schriftuerlicke liedekens, Leyden 1595, bl. 320 vo (vermeld door Dr. F.C. Wieder, De Schriftuurlijke Liedekens, 's-Grav., bl. 66 en Regist. nr. 881, ‘Wie sint Jacobs broeder zijn wil’), voor: ‘Wie de ellendicheyt voldoen wil wel’, navolging van het Duitsche lied: ‘Welcher das ellend bawen wil’, te vinden bij Böhme, Altd. lb., nr. 611b, bl. 722, op zijne beurt eene geestelijke navolging van het pelgrimslied: ‘Wer das elend bawen wil’ (van el en land = ander, vreemde land; bawen, oorspronkelijk = wonen, dus = wie in den vreemde wonen wil); - b. ‘Die na Sint Jacob wandelen wilt’ (in Een nieu liedenboeck, 1562, bl. 226 en in Het tweede liedeboeck, Amst. 1583, bl. 271, zie Wackernagel, bl. 14 en 80 en Dr. Wieder, bl. 66 en Regist. nr. 159), voor: ‘Die wil nae dat nieuwe Jerusalem’; - c. ‘Wie Sint Jacob besoecken wil’ (in Veelderhande Schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht 1593, bl. 313) voor: ‘Laet ons in sheeren tempel gaen’, een lied dat ook tot stemaanduiding heeft: ‘Te mey, als alle de vogelkens singhen’. Zie dit laatste hierna. Ongetwijfeld hebben de wijsaanduidingen a, b, c betrekking op eenzelfde, de bovenstaande en hierna aangehaalde, melodie.
Het reeds genoemde, ook het meest verspreide der Duitsche St. Jacobsliederen, gaf aanleiding tot verschillende geestelijke omwerkingen in ‘Jacobston’. Zie Böhme, t.a.p., nrs. 610 en 611, bl. 718 en vlg., Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 2091, bl. 780 vlg.
Over de St. Jacobsliederen bij de Franschen, zie Alexis Socard, Noëls et cantiques imprimés à Troyes, Paris, 1885, bl. 69 vlg.
Het, volgens E.u.B., reeds in de 14de eeuw gezongen Duitsche lied ‘Wer das Elend’, was en bleef zoo populair, dat Simrock het nog in 1850 te ‘Burgen im Moselthal’ in eene vernieuwde lezing uit den volksmond mocht opteekenen.
Indien het Nederlandsche St. Jacobslied zulke diepe sporen niet heeft nagelaten, toch waren in de XVIIIde eeuw ten onzent de bedevaarten naar Spanje nog niet in onbruik geraakt. In een Kluchtigh ende belachelyck verhael-dicht van allen het ghene men roept, singht ende schreeuwt soo op de merckten, als straten van de princelycke stadt Brussel, Brussel 1708, leest men:
Vander Straeten, La mus. aux Pays-Bas, VIII (1888), 405 vlg., die dezen tekst insgelijks aanhaalt, trachtte te vergeefs het aangeduide lied op te sporen. Ook de melodie bleef hem onbekend. Het bovenstaande Fransche vers is eene variante van het begin der veertiende strophe van ‘La grande chanson des Pélerins de Saint Jacques’. Het lied vangt aan:
De veertiende strophe luidt:
Het lied werd herdrukt door Al. Socard, t.a.p., bl. 75, naar: Les chansons des Pélerins de Saint Jacques, kerk. goedk. Troyes, 1718. Maar het stuk moet ouder
zijn. Volgens Vander Straeten dagteekent de eerste uitgave van het Kluchtigh en belachelyck verhael-dicht, van 1604. Het ‘air des Pélerins’ moest toen reeds zeer bekend zijn. Eene parodie daarvan wordt gevonden, met de melodie, in de door Ballard uitgegeven verzameling La clef des chansonniers, ‘ou Recueil des Vaudevilles depuis cent ans et plus’, Paris 1717, I, 268, voor het lied: ‘Nous sommes de l'amour tranquille // les pelerins’. Aan het laatste vers der voorgaande strophen, hierboven diplomatisch teruggegeven, wordt echter door die zangwijs geene plaats verleend. Verder vindt men den aanvang der voorzeide veertiende strophe en dezelfde melodie in een tooneelstuk: Le temple de l'ennui, ‘prologue représenté à la foire Saint-Germain en l'année 1716’, voorkomend in OEuvres de Le Sage, Paris, 1823, dl. XIII, bl. 250, nr. 153 der muziekbijlagen.
Alhoewel Hoffmann v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, bl. 216, sprekende van het voormelde Duitsche en van het hier behandelde Nederlandsche St. Jacohslied, van meening is, dat beide liederen zijn: ‘im Ton des Jacobsliedes gedichtet’, bestaat er nochtans tusschen de twee teksten verschil in opzicht van het metrum. Het Duitsche lied heeft den vorm der oude Lindensmidstrophe: 4 - a, 4 - a, 3
b, 4 - x, 3
b:
Volgens den algemeenen strophengang zou de Nederlandsche tekst hebben tot schema: 4 - a, 4 - a, 4 - b, 3
x, 3
b.
Dit verschil in metrum zal wel niet belet hebben, dat de hier besproken Nederlandsche tekst op de melodie van het Duitsche lied werd voorgedragen, die ten onzent wordt teruggevonden in de zangwijs: ‘Ic weet nog eenen acker breit (zie nr. 37, bl. 207 hiervoren, en vgl.: ‘Bistu een crijgher’, nr. 221, bl. 808 insgelijks hiervoren). Overigens hebben de hierboven aangehaalde liederen: ‘Die wil nae dat nieuwe Jerusalem’; - ‘Wie de ellendicheyt voldoen wil wel’; - ‘Laet ons in sheeren tempel gaen’, het metrum van het Duitsche ‘Wer das elend’, wat natuurlijk ook, voor den aanvangsregel het geval is met de wijsaanduiding: ‘Wie Sint Jacob besoecken wil’.
De Duitsche melodie is te vinden bij Böhme, t.a.p.; - Erk u. Böhme, t.a.p.; - Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenl., II, nr. 88 en 184, bl. 144 en 203, en I, nr. 308, bl. 606; - Zahn, Die Melodien der deutschen evangelischen Kirchenldr., I, nr. 1707, bl 456. Ziehier de melodie, hierboven weergegeven naar dezen laatste en volgens eene verzameling van 1552, waar zij voor eene vergeestelijking dient:


Over den St. Jacob-Tanz, een dans naar aanleiding van onze melodie, zie Böhme, Geschichte des Tanzes, I, 59, 252, 257.