
6, 2. t.: badigen.
Willems, Oude Vl. ldr., nr. 233, bl. 486, met deze aanteekening van Snellaert: ‘In de omstreken van Gent leeft dat lied nog onder het volk. De toonzetting der wijze (d.i. de notatie) ben ik verschuldigd aan de heuschheid van den heer Reylof’ (dezelfde, die de in Willems' verzameling uitgegeven ‘nieuwe wyze’ van het lied ‘Des winters als het regent’ noteerde (zie hiervoren nr. 229, bl. 842); tekst hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 50, bl. 127. De lezing door H.v.F. als ‘Vlämisch aus der Gegend von Antwerpen’ medegedeeld, stemt, buiten zeer geringe afwijkingen in de spelling, heel en al overeen met den tekst van Willems. H.v.F. zelf bekent, dat luidegen, voor luidden, badegen, voor baden, heetege, voor heette, tot het Gentsch dialect behooren. Overigens wordt het stuk in Snellaert's Oude en nieuwe liedjes, 2de uitg., 1864, nr. 89, bl. 97, aangeduid als herkomstig van Destelbergen, een dorp gelegen in de nabijheid van Gent.
In de voormelde verzamelingen wordt het lied voorafgegaan van deze stereotiepe strophe:
Willems; - Snellaert, t.a.p.; - Het slot der melodie is bij Willems tegendraadsch genoteerd en daarenboven als eene drukfout aan te zien. Dit slot wordt door Gevaert, La mélopée antique, bl. 46, vergeleken met het slot van eene in Klein-Azië gevonden en van de eerste of tweede eeuw dagteekenende iastische melodie, waarvan de schrijver zegt: ‘La chute de tierce, en portamento, à la fin de l'air, doit être comprise comme une sorte de pointe musicale, propre peut-être aux chansons d'un contenu humoristique.’
Voor een Duitsch meilied: ‘Der Mai, der Mai, der lustige Mei’ (zie nr. 85, bl. 375-8 hiervoren, ‘Die mey die ons die groente geeft’), vindt men een met het bovenstaande overeenkomstig refrein: ‘Faldera, vidubbe, dubbedub’; terwijl men bij Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 93, onder stemaanduiding ‘Dibe dibe dou’, voor het lied: ‘Marius en Martha met // twee sonen zijn gekomen’, de volgende melodie aantreft, welke aan een danslied doet denken:

Ook de fraaie in den ouden trant gecomponeerde ‘couplets’, met aanvang: ‘Bonjour Fanchon, Bonjour Suzon’, in Gevaert's opera Le Capitaine Henriot, Parijs, 1864, hebben een aan het bovenstaande lied ontleend, echter oorspronkelijk gecomponeerd refrein: ‘Houp! sa sa, ribedoubeda’.