terug  begin  verderprepost
[p. 925]

254. Ik hoorde dees dagen.



illustratie

 
1.
 
Ik hoorde dees dagen
 
een maagetje klagen:
 
‘wat moet ik, wat moet ik verdragen?
 
Die mijn plagt te beminnen
 
is veranderd van zinnen;
 
dat minnen, dat minnen van binnen.
 
 
 
2.
 
‘Wat kander mijn baaten
 
zijn vriendelijk praaten?
 
Nu ben ik, nu ben ik verlaaten;
 
door spreeken en smeeken,
 
is de liefde ontsteeken,
 
och ik ben schier, och ik ben schier bezweeken.
 
 
 
3.
 
‘Hy was 'er verheven,
 
hy wou der my geven,
 
zijn trouwtje, zijn trouwtje verheven;
 
door kweelen en speelen,
 
en fluyten en veelen,
 
hy mijn hertjen, hy mijn hertjen kwam steelen.
 
 
 
4.
 
‘Ik plagter om te lachen,
 
nu vind ik mijn nagten
 
in traanen, in traanen en klagten;
 
mijn vreugd en genugten
 
gaat van mijn vlugten,
 
veranderd, veranderd in zugten.
 
 
 
5.
 
‘Wat kander mijn baten
 
honderd-duyzend ducaten,
 
als ik der, als ik der moet laten?
 
Alle mijn klugten
 
zijn veranderd in zugten
 
waar zal ik, waar zal ik nu vlugten?
 
 
 
6.
 
‘Gy was 'er bedrogen,
 
hy kwam voor uw oogen,
 
u traanen, u traanen af-droogen;
 
alle u klagen
 
zijn droevige dagen;
 
laat staan, lief, laat staan, lief, u klagen.
[p. 926]
 
7.
 
‘Houd op, dwaze zinnen,
 
van u droevige minnen,
 
als gy niet, als gy niet kund winnen:
 
wild staaken u klagen,
 
dat nagten en dagen
 
u zieltje, u zieltje kwam plagen.’
 
 
 
8.
 
‘Ach hy doet mijn sterven,
 
wat wenst gy te erven
 
die u zal, die u zal bederven?
 
Hy wenst naar u lijden,
 
wild hem dan ook myden,
 
die gy eerst, die gy eerst, zo vryden.
 
9.
 
‘Daar zijn der meer ander
 
verliefd op elkander,
 
maar Goden, maar Goden hoe schrander
 
zou minnen en haaten,
 
dat hem schijnd te baaten,
 
wie kan dat, wie kan dat verlaaten?’
 
 
 
10.
 
- ‘Neen, waarde Clarinde,
 
die ik wel eerst diende,
 
en jonger en jonger beminde,
 
'k en zal in mijn leven
 
u nimmer begeven.’
 
- ‘ô Herder, ô herder verheven.’

4, 1. t.: laghen. - 6, 6. t.: laat staan, laat staan, lief u klagen.

Tekst.

Thirsis minnewit, Amst. I (1726), 1752, bl. 141, zonder wijsaanduiding; tekst hierboven weergegeven. - Snellaert op Willems, Oude Vl. ldr., bl. 288, geeft den tekst in vijf twaalfregelige strophen. Volgens Snellaert duidt de aanhef aan: ‘dat de schrijver het lied van het Nonneken (zie het onmiddellijk voorgaande lied) voor oogen gehad heeft’.

Melodie.

H. Sweerts, Innerlykke ziel-tochten, Amst. 2de druk, 1683, 4de druk 1702, bl. 287, ‘Toon: Semi la tormenti, of Ik hoorde dees dagen // een maagdeken, etc.’ / voor: ‘Minnaers der bloemen // diez' al weet te noemen’; hierboven weergegeven. Dezelfde zangwijs ‘Son mille tormenti, etc.’ is tweemaal te vinden in een 17de-eeuwsch liederboekje in Hs.; in ons bezit, bl. 21 en 42: voor ‘Gauw, herders, met vreden naer Bethleem’ en ‘Sult gij dan mijn clagten, heel daeghen en nachten’, verder in O, en n. Hollantse boerenlieties, 2de druk, Amst. c. 1700, nr. 264, met opschrift: ‘Se mille tormenti’. - De stemopgave ‘Son mili tormenté’ komt nog voor in Thirsis minnewit, II, Amst. c. 1752, bl. 17, voor: ‘Myn autaar, myn waarde’.

prepostterug  begin  verder