
1, 1. ionck, bijgev. naar aanleiding van de stemopgave in de Souterl. - 3, 1. mijne, bijgev. - 3, 6. francijn, Mnl. fransijn, van Mlat. francenum, zelfst. gebr. bijv. nv. van Francia = Frankrijk; van hier kwam den Vlamingen het perkament (Prof. J. Vercoullie, Etymologisch Wdb.).
Antw. lb., 1544, nr. 37, bl. 52, ‘een nyeu liedeken’, hierboven weergegeven; - Hoofmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 121, bl. 229. - Aangehaald door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 447. - Coornhert, Lb. Amst. (1575), nr. 7, aangeh. als wijs voor: ‘Neemt mensch u zelf zorghvuldelyken acht’.
Souterl., 1540, op het slot der verzameling, ‘Den lofsanck Zacharie: Ons Heere God van Israel’ - ‘nae die wise: Een oudt man sprack een ionck meysken aen’; hierboven weergegeven; - Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, 1635, bl. 1004, ‘stem als 't begint’, voor: ‘Gegroet zijt Simon en Taddee’.