
1, 4. Stereotiepe middeleeuwsche beeldspraak, waarbij de minnaar wordt voorgesteld onder de gedaante van een valk (Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 193-4, 382). - 6, 1. t.: en roept. - 6, 4. Over de dubbele beteekenis van roosen lesen, zie Dr. Kalff, t.a.p., bl. 346, aant.
Antw. lb., 1544, nr. 90, bl. 135, ‘een oudt liedeken’, hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 82, bl. 182. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 194 en 415.
I. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 1565, nr. 115, bl. 213. - De eerste maten geven de melodie weer van het lied: ‘Een boerman hadde eenen dommen sin’ (zie nr. 39, bl. 212 hiervoren). Beide zangwijzen staan in verband met Gevaert's 3de thema (zie onze verhandeling: De melodie van het Nederl. lied, 1902, bl. 95).


Aang. als wijs: Veelderhande liedekens, 1569 (zie Wackernagel, Lieder der niederl. Ref., bl. 125, en Dr. F.C. Wieder, De Schriftuurlijke liedekens, 's-Grav. 1900, Regist. nr. 96), voor het lied: ‘Broeders en susters, en vreest doch niet’. Zie mede het lied: ‘Ick hope, dat den tijt noch comen sal’.