



5, 4. pieten = pieren, wormen.
A. Lootens et Feys, Chants pop. flamands, 1879, nr. 91, bl. 179, hierboven weergegeven. - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 1856, nr. 147, bl. 260, uit de omstreken van Dendermonde, medegedeeld door J. de St. Genois in Mone's Anzeiger, 1835, Sp. 337. Buiten enkele varianten geeft deze lezing de eerste vijf strophen van den tekst A terug; - B. Volkskunde, Gent, I (1888), bl. 155, te Denderleeuw en te Wambeke opgeteekend door A. de Cock en Pol de Mont; - C. Ons volksleven, Brecht, IX (1897), bl. 73, opgeteekend te St. Antonius door J. Cornelissen. Het refrein - een later bijvoegsel - wordt door de melodie niet weergegeven. De aanvang van de melodie is hier metrisch hersteld; - D. J. Bols, Honderd oude Vlaamsche ldr., 1897, nr. 72, bl. 177.
Het volgende lied te vinden in Het taelverbond, Antw. IX (1853), eerste deel, bl. 149, uit de omstreken van Gent, medegedeeld door J. Heremans, me eene Westfaalsche en eene Paltzsche lezing, naar Mone, strekt tot tegenhanger aan de voorgaande teksten:
Nog heden zingen de kinderen, bij het touwtjespringen (zie C.J. Boekenoogen, Onze rijmen, bl. 72):
Over de aanverwante Duitsche teksten: ‘Frau, du sollst nach Hause komm'n’, - ‘Ach Mann, du sollst’, enz., zie Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, nr. 910, bl. 696 vlg. en Joh. Lewalter, Deutsche Volksldr. ‘in Niederhessen aus dem Munde des Volkes gesammelt’, Hamburg, 1890-94, dl. IV, nr. 36, bl. 53, het lied: ‘Madam! Was dann?’, en de aldaar voorkomende aanteekeningen.