



A. Willems, Oude Vl. ldr., nr. 124, bl. 291, hierboven weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 136, bl. 248; - Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1852, nr. 64, bl. 37, en 1864, nr. 85, bl. 93; - B. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, nr. 133, bl. 380, wijs van Belle (Bailleul); - C. Lootens et Feys, Chants pop. flam., nr. 112, bl. 206. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 431.
A. Willems, t.a.p., en mondelinge- overlevering, immers zooals ik de melodie van mijn vader leerde; - B. De Coussemaker, t.a.p., het slot in verband gebracht met de metriek; met dit slot ontstaat eene natuurlijke
vertraging, die door geene notatie aan te duiden is. - C. Lootens et Feys, t.a.p. - Volgens eene aant. van Willems, medegedeeld door Snellaert, werd dit lied vroeger gezongen op de wijs: ‘Tsavents sprack hy tot der maect’, te vinden in Fruytiers' Ecclesiasticus, Antw. 1565, nr. 63, bl. 124, voor het lied: ‘Alsoo ghy best muecht telcker tijt.’ Waarop Willems' bewering steunt, is ons niet bekend. Ziehier deze melodie:

Deze zangwijs heeft de meeste overeenkomst met de melodie door Casteleyn gebruikt voor het lied: ‘Springht alle zeer wijfs ende mans’ (1527); zie onder de historische liederen onzer verzameling.
De in A en B hierboven voorkomende melodische vorm c f e d c doet zich reeds voor in Duitschland in de XVde eeuw (zie Böhme, Altd. Lb., nr. 298, bl. 382, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, nr. 933, bl. 714):
