
1, 2. t.: ick heb een. - 3, 2. t.: my over die heyden. - 3, 3. t.: die heyden, t'so heyden. - 4, 3. t.: ghelycken. - 5, 4. t.: dan den alderliefsten.
Nieu Amst. lb., 1591, bl. 63, ‘op de wijze: alst begint’; - F.A. Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1852, nr. 82, bl. 51, en 1864, nr. 62, bl. 67, gemoderniseerd. - Op het eind der laatste strophe moet ook in de muziek eene herhaling hebben plaats gehad.
Souterl. 1540, Ps. 127, ‘Welsalich zijnse hier op aerden levende’ - ‘na die wise van een dansliedeken: Die nachtegael die sanck een liedt // dat leerde ick’; - I. Fruytiers, Ecclesiasticus, nr. 88, bl. 167, minder goede lezing; - Theodotus, Het paradijs der geest. en kerck. lof-zangen, 2de druk, 1627, bl. 686, de zangwijs aanvangend met c helt van den modernen durtoonaard naar den dorischen modus over:

In de 5de uitgave, Antw. 1648, bl. 709, vindt men eene minder goede lezing, doch insgelijks met 3 (= 6/4)-maat genoteerd:

Deze twee lezingen leveren het beste bewijs, dat de notatie der Souterl.:

hier wel tot de 6/4- of 6/8-maat, de populaire dansmaat, terug te brengen is.
‘Die nachtegael’ enz., wordt o.a. aangehaald: Nieu Amst. lb. voormeld, bl. 3, 22, 25 en 118, voor: ‘Dat oude jaer // is ons ontrolt’; - ‘Ghy dochters fray // comt maeckt een ray’; - ‘Dit hef ick an // en drincket man’; - ‘Verblijt den gheest // in desen feest.’ - Het lied: ‘Dat oude jaer’, enz., benevens een ander: ‘Myn hert met lusten pryst dit nieuwe gulden jaer’, beide met wijsaanduiding: ‘De nachtegael’, enz. zijn te vinden bl. 160 en 246 van het 17de-eeuwsche Hs. van Wouter Verhee, beschreven door Dr. Kalff, Tijdschr. voor Nederl. taal en letterkunde, V (1885), bl. 137 vlg. - Het eerste komt ook voor met dezelfde wijsaanduiding in Een Aemst. amoreus lb., 1589 (beschreven door J. Bolte in hetzelfde tijdschrift 1891, bl. 175 vlg.), bl. 52b; - Veelderhande Schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht, 1593, bl. 479, voor een lied met aanvang:
Den nieuwen verbeterden lusthof, Amst. 1607, bl. 74, voor: ‘Dees soete tijdt // elck een verblijdt’. -
In de verzameling getiteld Seeckere nieuwe liedekens, enz., Antw., Heyndrick Wouterszoon, 1623, Bijvoegsel, sign. A, vindt men ‘een gheestelijc liedeken / op de wijse: Een nachtegael die sanck een liedt’, met aanvang:
Volgen 14 strophen, waaronder men leest: ‘Approbavit S.S.O.’.
Böhme, Altd. Lb., nr. 308, bl. 390, geeft de zangwijs van Ps. 127 Souterl., zonder tekst en voegt er bij: ‘sehr hübsche, klargeformte Melodie’.