Groot Hoorns lb., Amst. (waarschijnlijk uit het eerste kwart der XVIIde eeuw), I, bl. 214, met opschrift Switsenburgs-groet, stem: ‘Cristijntje benje krank’, hierboven weergegeven (de wijsaanduiding vindt men terug in Apollo's nieuwe-jaers gift, 's-Grav. 1742, bl. 71: ‘Christienke bist toe krank’, voor het lied: ‘Al over langen tijd’); - Enchuyser lied-boecxken (c. 1650), bl. 106, lied herdrukt door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 433, onder de liederen waarin van een nachtelijk bezoek verhaald wordt.
Aangehaald als stem door D.P. Pers, Bellerophon, 1657, bl. 86: ‘Ick voer al over Rhijn of Snel Rebel’ (deze laatste wijs ontleend aan het lied dat volgt) voor: ‘Als Juno met haer kroon’; - J.C. May-vogel, Vermakelycke bruylofts-kroon, Amst., c. 1699, bl. 121, voor: ‘Nu laet ons dese feest’.
Het refrein daargelaten, vindt men denzelfden strophenbouw in een in de XVIde eeuw thuis behoorend Nachtfahrtlied: ‘Es sasz ein Eul und spann’ en zijne latere varianten: ‘Ich schifft wol übern Rhein’; - ‘Ich ging bei eitler Nacht’; - ‘Ich ging wohl bei der Nacht’; - ‘Ich ging mal bei der Nacht’ (Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 157, bl. 501 vlg.) en in een bij het pandspel gebruikt kinderliedje van lateren tijd: ‘Ich fuhr einmal auf Sitt’ (E.u.B. III, nr. 1736, bl. 525).
De Nederlandsche teksten geven het een of ander gedeelte van de aangewezen Duitsche liederen, soms een deel van beide terug. De tekst: ‘Ik voer al over zee’, die volgt, en welks vijfde strophe melding maakt van de ‘drie zusters’, stemt het best met het 16de-eeuwsch Duitsche lied overeen. ‘De meid die veegden 't huis’, str. 12 van tekst B, wordt teruggevonden in str. 4 van het liedje: ‘Ich fuhr einmal auf Sitt’.
In de Duitsche lezingen gebeurt de vaart over den Rijn niet op een ‘saly’- (salie), maar op een leliebladertje (‘Gilgen’- of ‘Lilgenblättelein’). Over dat lelieblaadje zegt Uhland, aangeh. door Dr. Kalff, t.a.p.: ‘Auch ein Blumenschiffchen ist Verliebten bereit; das lange, hohle Blatt der Lilie gibt einen hübschen Kahn’, enz. - Het varen op een lelieblad, zeggen daarentegen E. en B., t.a.p. 501, is eene formule die zich dikwijls voordoet, waardoor ‘das Nichtige und Vereitelte’ der vaart wordt beteekend. Het lelieblad is een symbool van recht. Hoe werd dit lelieblad in den Nederlandschen tekst tot salieblad? De vroegere naam van salie, was selfe of selve, een woord dat voorkomt in den aanvangsregel, die ook tot spreuk diende: ‘Noch is selfe dat allerbeste cruut’, en die als wijs wordt aangeduid voor het geestelijk lied: ‘Help rike here God, mi is so wee’ (zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling).


Thirsis minnewit (Amst. c. 1572), II bl. 76: ‘Amoureus gezang, stem: ‘als 't begint’. Het refrein ‘van snel, rebel en rompompom’, dat wij hierboven door Pers gedeeltelijk zagen aangehaald, ‘werd zeer dikwijls gebruikt om de wijs van een lied aan te duiden, vooral in de 17de eeuw’ (Dr. G. Kalff, t.a.p., bl. 434).
D. de Lange, J.C.M. van Riemsdijk, Dr. Kalff, Nederl. volkslb., uitg. door de Maatsch. tot nut van 't algemeen, Amst. 1896, nr. 127, bl. 168, drie strophen; str. 1, 2 en variante van str. 12 hierboven:
Alhoewel zich een sprookje herinnerende, waarin wordt verhaald van een oud vrouwtje dat op dezelfde wijze een geldstuk vindt, kan Dr. Kalff niet zeggen vanwaar in den Nederlandschen tekst de meid komt, die onder het aanveegsel een penning met een kruis vindt.
Uit eene aanteekening in het Nederl. volkslb. blijkt, dat het aldaar opgenomen lied (vgl. het hierboven genoemde aanverwante: ‘Ich fuhr einmal auf Sitt’) gezongen wordt bij het pandspel. Het komt ook voor onder de Nederlandsche baker- en kinderrijmen van Dr. J. van Vloten en M.A. Brandts Buys, vierde uitg., Leiden, 1894, bl. 144, waar men benevens den voorgaanden driestrophigen tekst nog twee varianten vindt. De eerste strophe van een dezer luidt:

Zoowel als de onmiddellijk voorgaande is deze melodie op hare beurt eene variante van het oude studentenliedje: ‘Io vivat’ (zie het lied: ‘A, a, a, valete studia’, nr. 246, bl. 894).
G.J. Boekenoogen, Onze rijmen, Leiden, 1893, bl. 9, deelt insgelijks de eerste strophe van ‘Ik voer al over de zee’ mede, onder de ‘liederen der 17de eeuw, die tot kinderrijmen zijn vervormd’.

J. Bols, Honderd oude Vlaamsche liedr., nr. 75, bl. 182, ‘van eene slordige vrouw’; gezongen te Kapelle-ten-Bosch. De uitgever vermeldt, naar Volk en taal, 7den j. 1895, bl. 112, een lied zonder zangwijs: ‘Daar was een vrouwke dat spon’. In dit lied wordt insgelijks gefloten.


't Daghet in den Oosten, Hasselt, IV (1891), 7de jaarg., bl. 53, met de voorafgaande aanmerking: ‘'t Volgende lieken wordt gezongen om te zien, wie het gelag zal betalen. Die de eerste maal het laatste woord uitspreekt, of het den tweeden keer niet uitspreekt, is verloren’.


Ons volksleven, Bracht, III (1891), bl. 109, variante uit St. Antonius Brecht (Antwerpsche Kempen), medegedeeld door J. Cornelissen, die in den volgenden jaargang, bl. 129, de melodie doet kennen. Eer fragment uit Antwerpen, door den Heer Vervliet medegedeeld, luidt aldus:
In hetzelfde tijdschrift, IV (1892), bl. 131, vindt men eene variante uit Langemark (West-Vl.), die den zanger insgelijks verplicht ‘pand in te leggen’, indien hij sommige woorden uitspreekt.

De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, nr. 91, bl. 297, ‘Het wyf die spon’. De C. brengt tekst en melodie in verband met een lied: ‘aus Norddeutschland’ te vinden bij A.W. von Zuccalmaglio, Deutsche volksldr. Berlin, II, 1840 (vervolg op Kretzschmer), nr. 321, bl. 582. Doch er bestaat geen verwantschap tusschen den Nederlandschen en den Duitschen tekst, maar wel tusschen de beide melodieën:
