

1, 4. t.: nu bijgev. - 3, 1. En bijgev. - 3, 3. ick bijgev. - 5, 1. Mer bijgev. - 5, 4. geel bijgev., vgl. 6, 1. - 6, 1. Bindt op, enz, vgl. hiervoren I, nr. 31, bl. 177, str. 9. - 9, 1. t.: Wat gaf gy, enz.
Haerlems oudt lb., 27e druk, 1716, bl. 47, stem: ‘van de vroukens van Haerlem’. - De wijs: ‘Te mey’, ook ‘Te meyen’, enz. wordt o.a. aangehaald: Een nieu liedenboeck, 1562, en in Alle de Psalmen des H. Conincklycken Propheten Davidts, enz. (Frankf. 1567), zie Wackernagel, Ldr. der niederl. Reform., bl. 17 en 24; - Veelderhande liedekens uit den O. en N. Testamente, Amst. 1599, bl. 7vo, 57 en 240vo, voor: ‘Aenhoort een liedt ghy Adams zaet’, - ‘Een nieu liedt wy heffen aen // o menschen’, - ‘Ontwaeckt ghy menschen overal’ (zie Dr. F.C. Wieder, De Schriftuurlijke liedekens, 's-Grav. 1900, Regist. nrs. 6, 185 en 734); - voor de liederen: ‘Nu heffen wy een nieu liet aen’ (zie onder de Schriftuurlijke ldr. hierna); - ‘Hoort toe nu menschen in desen tijdt’ (Beleg van Alckmaer, 1573); - ‘Mauritz ons Prins, den vromen heldt’, 1619; - ‘Looft Godt den Heer die 't alle geeft’ (zie Van Lummel, Nieuw Geuzen-lb., bl. 140, 453 en 512); - ‘Wie wil hooren een nieu liedt’ (Amsterdams trouw, 1572); zie onder de historische ldr. hierna; - Coornhert, Lb., Amst. 1575, nr. 22, voor: ‘Door wissel van liefde myn leven verhueght’, ook te vinden in Nieu Amst. lb., bl. 59, met wijsaanduiding: ‘Te mey’, enz.; - Veelderhande Schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht 1593, bl. 313, voor: ‘Laet ons in sheeren tempel gaen’, zie bl. 912 hiervoren; - Bredero, Boertigh lb., 1622, uitg. Amst. 1890, bl. 294, voor: ‘Lichtvaerdige minne neemt u afscheyt’; - De gheestelycke vryagie, Brussel 1624, I, bl. 243, voor: ‘Myn lieff is soet en suyverlijck (zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling); bl. 324, voor: ‘Myn herteken gheeft soo menighen sucht’; bl. 332, voor: ‘Al ben ick in druck en groot ghequel’;
- Tilburgsch Hs., beschreven door H. Roes, Dietsche Warande, I (1897), N.R., bl. 267, voor: ‘Ter eere van Godt wil ick gaen strijden’; - Groot Hoorns lb., c. 1625, bl. 119, voor: ‘Wenscht nu geen meer geluk aan bruyd’, en bl. 138, waar het lied ‘Myn wit op deze bruyloft doeld’ tot stemaanduiding heeft: ‘Het hemd was lager als de rok’, of: ‘Te mey, als al’, enz.; - Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 310, voor: ‘Dat Sergy Pauli goede faem’; - Theodotus, Het Paradys der geestl. en kerck. lof-sanghen (1ste uitg. 1621), Antw. 1648, bl. 597, voor het voornoemde lied: ‘Mijn herte geeft soo men'gen sugt’, dat op zijne beurt tot wijsaanduiding kan gediend hebben voor: ‘Daer was een edel Paltzgravin’ (Genoveva van Brabant); zie bl. 259 niervaren.
Theodotus, t.a.p., bl. 698, voor een lied dat insgelijks met wijsaanduiding ‘Te mey’, enz. reeds voorkomt in Paradiis der gheest. vreuchden, Antw. 1617, bl. 174:

Evangelische leeuwerck, Antw. 1682, 1, bl. 81, zelfde lezing, buiten de tweede phrase, die daar klinkt: d a a a c d c a bes, voor: ‘'t Is hier dat maer voor een korten tijdt’; - Dr. Land, Luitboek van Thysius, nr. 55, zelfde melodie voluit in driedeelige maat, doch eenigszins door de luitbewerking bedorven (vgl. Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, nr. 961, bl. 730); - Corn. de Leeuw, Christelycke plichtrymen, Amst. 1649, bl. 199, ‘zangh: Te Mey als alle, etc.’ geeft de volgende zangwijs:

E.u.B., t.a.p., III, nr. 1307, bl. 193, naar Theodotus, voor: ‘Ich reit einmal zu Braunschweig aus’ (zie nr. 275, bl. 988 hiervoren; ‘Ick rede eenmael in een bossche dal’).
Den boeck der gheest. sanghen (Den bliiden requiem), Antw. 1631, bl. 38, op de wijse: ‘Den Mey als al de voghels singhen’-:
