
2, 3. Augsburg, hoofdstad van het Beiersche district Swaben en Neuburg. - 3, 3. t.: vraechden. - 4, 1. stove, zie de aant. hiervoren I, bl. 835. - 5, 3. meeste ooghen = het hoogste getal, met de teerlingen. - 8, 4. t.: enen riken vader tsoheime. - 8. Duitsche tekst:
9, 3 en 4. bijgev. naar het Duitsch. - 12, 4. t.: Tausboorch.
Antw. lb., 1544, nr. 29, bl. 42, ‘een nyeu liedeken’; hierboven weergegeven: - Een Aemst. amoreus lb., 1589 (beschreven door J. Bolte, Tijdschr. v. Ndl. taal- en letterk., 1891, bl. 175 vlg.), bl. 24b, ‘een schoon overlants lied van schoon Elselyn, op de wijse: alst beghint’, 12 strophen. - Dit ‘overlants’ lied is aan het Duitsch ontleend; zie Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 436, die ons den inhoud aldus doet kennen: ‘Het lied bevat het verhaal van een meisje, dat onder de ruiters te Augsburg geraakt; deze dobbelen om haar en hij die de meeste oogen werpt, voert haar met zich. De noodlottige gevolgen blijven voor haar niet lang uit’. - Voor de Duitsche lezingen, zie Böhme, Altd. Lb., bl. 133 vlg., en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, bl. 425 vlg. - Str. 6 van den Nederl. tekst behoort eigenlijk niet bij het verhaal. Eene dergelijke str. vindt men elders in onze liederen terug, en o.a. in het lied: ‘Het worp een knaep’ enz., nr. 63, bl. 319, hiervoren, str. 4, waar ‘dat groene wout ten eynde’ insgelijks wordt vermeld. Men vergelijke nog ‘In Oostlant wil ic varen’, str. 2, en ‘Ic heb om vrouwen wille’, str. 4, nr. 53 en 71, blad. 290 en 337 hiervoren.
Verder deelt Dr. Kalff, bl. 437, naar het Haerlems oudt lb., Haerlem, Vincent Casteleyn, z.j., bl. 76, de eerste strophe van eene tweede lezing mede, die met den tekst van het Antw. lb. nogal verschilt, maar zeer zeker ook naar Duitsche bronnen
bewerkt is. Ziehier den volledigen tekst, de herhalingen duiden wij alleen voor de eerste strophe aan:
5. 1. ticktackbert = trictrac, het nog heden zeer bekende spel, volgens Voltaire (z. Littré), van Indischen oorsprong.
Böhme, Altd. Lb., en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, t.a.p., naar Reutterliedlin, 1535, nr. 2. - E. en B., wien de navolging nr. 29 Antw. lb., naar het schijnt, onbekend bleef, zien een aanverwant lied in: ‘Een goet man had een dochterkijn’, te vinden onder de geestelijke liederen onzer verzameling. Dit laatste zonder refrein, en op eigen melodie berustend, zal zeker wel in de XVde eeuw thuis behooren en heeft geene overeenkomst met het lied van ‘Elsselijn’.