
3, 1. die bijgev. - 4, 1. Stereotiepe uitdrukking, zegt Dr. Kalff, bl. 439; de verteller is vergeten, dat het minnende paar zich in huis bevindt. - 6, 1. t.: die u ontvallen zijn. - 6, 3-6. Vgl., nr. 74, bl. 344 hiervoren, het lied: ‘Het vlooch een clein wilt voghelken’, str. 3, v. 5-7. - 7, 1. t.: hem in ghelaten heb. - 8, 1-2. t.: Die ons dit nyeuwe liedeken sanck // hevet so wel ghesonghen.
Antw. lb., 1544, nr. 68, bl. 102, ‘een nyeu liedeken’. - Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 438-9, acht dit stuk eene zorgelooze vertaling van ‘Es wollt gut jäger jagen // wolt jagen die wilden schwein’. De Duitsche tekst komt voor in Ambraser Lb. (1582). Vgl. Böhme, Altd. Lb. nr. 438, bl. 544.
Naar de mel. van: ‘Es wollt ein Jäger jagen // jagen vor einem holz’, door Böhme, Altd. Lb., t.a.p., aan Forster (1556) ontleend, met weglating der in het Altd. Lb., aangeduide reprise. Zie mede hiervoren I, nr. 31, bl. 177.