
1, 4. en bijgev. - 1, 6. crauwey = Fr. corvée. - 1, 7. op de laye = hout laden. - 2, 4. die bijgev. - 2, 8. begreyst = grijnzend aangezien. - 3, 2. cave = kist. - 3, 8. vergaet = vergat. - 4, 6. casteleyn = inwoner. - 4, 8. cornuyt = sukkel. - 4, 9. de = dede. - 4, 10. t.: ontstricken; ontsticken = verstikken. - 5, 7. verlayen = geladen. - 5, 10. met stayen = langzaam aan. - 7, 10. creech haer male = kreeg haren zak, haar congé. - 8, 3-4. De inhoud der Factie (klucht) die het lied voorafgaat, komt hierop uit: Faes heeft een referein gedicht; maar twee ‘Retorisijnen’ verzekeren hem, dat hij er beter een lied zou van maken. Faes noodigt een hunner uit om dit zelf te doen en het lied te zingen; hij zal dansen.
Intusschen treedt ‘dwijf’ van Faes op en roept haren echtgenoot toe: ‘waer blijfdy met de duiven?’ Doch Faes wil nu den stiel van duivenmelker laten varen om voortaan Rhetorica te hanteeren.
Spelen van sinne, ‘gespeelt ... den vierentwintichsten dach Augusti int Jaer ons Heeren 1561’, Antw., M. Willem Silvius, 1562, Sign. O II, liedeken, uit de Factie gespeeld door Tcorenbloemken van Brussel, ‘Ieucht sticht vreucht’, en waar Faes de Cuypere de voornaamste rol in vervult, ‘op den voys: Tis heden den dach van vrolijckheyt’, hierboven weergegeven; - Le Jeune, Volkszangen, 's-Grav. 1828, nr. 8, bl. 106, in moderne spelling gebracht.
Zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling: ‘Tis heden’, enz.