
1, 1. t.: gespeelkens goet.
Antw. lb., 1544, nr. 80, bl. 119, ‘een nyeu liedeken’, hierboven weergegeven; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 69, bl. 176; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 118, bl. 225. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 442 en 163, waar de schrijver wijst op de woorden van Bartsch, Alte
französische Volkslieder, 1882, bl. XXVII: ‘Das Motiv der Drei ist ein alt volkstümliches.’ Over ditzelfde punt leest men bij Götzinger, Reallexicon, 1885, bl. 1096: Drei bezeichnet das abgeschlossene, vollendete, vollständige. In Volksliedern finden sich drei Rosen, drei Reiter zu Pferd, drei Häslein, drei Wolken am Himmel, drei Gäns im Haberstroh, drei Bursche, die über den Rhein ziehen, und vieles andre.’
Souterl. 1540, Ps. 109: ‘Die Heer tot minen Heere // die sprac - na de wise: ‘Het waren drie ghespelen // si waren vroech op ghestaen’. Bij een van de laatste stukken der Souterl.: ‘Pater noster’, vindt men de melding: ‘na de wise: Het ginghen drie ghespeelkens goet // spaceren in. Soectse (nl. de wijs) vore (d.i. hiervoren) opten 109 Ps.’; zoodat de melodie van dezen Ps. wel degelijk diende voor nr. 80, Antw. lb.. Misschien is de bij Ps. 109 aangeduide wijs de aanvang van het ‘out’ liedeken, dat tot het ‘nyeu’ aanleiding gaf. Wij laten de melodie volgen naar de Souterl. 1540, met aanduiding der variante voorkomende bij Clemens N.P., volgens Commer's uitgave:

Onder nr. 156 van Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 188, treft men, met het opschrift: ‘Het souden drie ghespeelkens goet / spaceren gaen in dat wout’, eene melodie aan door Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, II, nr. 477a, bl. 296, weergegeven in aeolischen modus: d d d f g a a, enz. Daar in de uitgave van 1539 de sleutel en ook de aanvangsnoten te hoog op den notenbalk zijn geplaatst, moet men naar onze meening lezen: c c c e f g g, enz. Aldus bekomt men, door transpositie van c in f, eene melodie niet zonder overeenstemming met de voorgaande:

Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 1199, ‘stem: als't begint’, heeft de volgende zangwijs:

Het woord ‘goet’, na het woord ‘ghespeelkens’, in de wijsaanduidingen van de Souterl. en van Een dev. en̄ pr. boecxken, misschien bijgevoegd onder den invloed van v. 1, str. 2 van het volgende lied, is overtollig voor het metrum. - In deze laatste verzameling vindt men nog, op bl. 62, voor het lied: ‘Och sterven mijnder natueren,’ de wijsaanduiding: ‘Sij ghingen alle drie bervoets’, ontleend aan het derde vers van de eerste strophe van het hier besproken lied.