terug  begin  verderprepost
[p. 1060]

296. Wie wil hooren een goet nieu liet
(De twee gespeelkens)



illustratie

 
1.
 
Wie wil hooren een goet nieu liet
 
en dat sal ic ons singhen,
 
mer dat te Wittenberch is geschiet
 
van also vreemde dinghen.
 
 
 
2.
 
Daer ghingen twee gespeelkens goet
 
so verre aen gheen groen heyde,
 
die een voerde eenen huebscen moet,
 
die ander weende seere.
 
 
 
3.
 
‘Ghespele, wel lieve ghespeelken goet,
 
waer om weende ghi so seere?
 
mer weent ghi om ws vaders goet
 
oft weent ghi om u eere?’
 
 
 
4.
 
- ‘Ic en ween niet om mijns vaders goet,
 
ick en ween niet om mijn eere;
 
wi twee wi hebben eenen lantsknecht lief,
 
rijck God, wie sal hem werden?’
[p. 1061]
 
5.
 
- ‘Ghespele, wel lieve ghespele goet,
 
laet mi den lantsknecht alleene;
 
ick sal u mijnen broeder gheven,
 
mijns vaders goet een deele.’
 
 
 
6.
 
- ‘Och dijnen broeder en wil ic niet,
 
noch dijfns vaders goet een deele,
 
ic hebbe veel liever mijn soete lief
 
dan silver oft root gulden.’
 
 
 
7.
 
Die lantscnecht al onder der linden stont,
 
hi hoorde der reden een ende:
 
‘och rike God van shemels troon,
 
tot wie sal ic mi wenden?
 
 
 
8.
 
‘En neme ick dan die rijcke,
 
so treurt die suyverlijcke;
 
die rijcke wil ic laten varen,
 
ende nemen die suyverlijcke.
 
 
 
9.
 
‘Een luttel goets is haest verteert,
 
dan heeft die liefde een eynde,
 
dan zijn wi twee noch ionc ende sterck,
 
meer goets mach ons ghewerden.’
 
 
 
10.
 
Hi nam dat maechdeken bider hant,
 
bi haer snee witte handen;
 
hi voerdese voor dat groene wout,
 
dat groene wout ten eynde.
 
 
 
11.
 
Daer vonden si twee een beddeken
 
van peerlen ende van siden:
 
‘adieu, adieu mijn soete lief,
 
het gaet sich aen een scheyden.’
 
 
 
12.
 
Maer die dit liedeken eerstwerf sanck,
 
hi hevet wel ghesonghen;
 
hi hevet alle vroukens lief.
 
God scheynde die verraders tonghen.

2, 1. t.: twee gespeelken. - 11, 1. t.: bedde.

Tekst.

Antw. lb., 1544, nr. 162, bl. 242, ‘een nyeu liedeken’, hierboven weergegeven, buiten de zevende door Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 66,

[p. 1062]

bl. 155, aangevulde strophe naar den Duitschen tekst, waarvan de Nederlandsche eene navolging is. H.v.F. liet de bovenstaande laatste drie strophen weg. Str. 11 en 12 stemmen vooral weinig overeen met de oorspronkelijke lezing. Dezelfde schrijver doet opmerken, dat Willems die, Oude Vl. ldr., nr. 57, bl. 149, eene lezing geeft naar ongenoemde afschriften der XVIde eeuw en naar Jan Roulans lb.’ (Antw. lb.), en die den Duitschen tekst voor eene ‘hoogduitsche vertaling’ houdt, zelf naar dien laatsten vertaalt; verder de eerste strophe weglaat en er eene zevende bijvoegt, die met de Duitsche lezing heel en al verschilt.

Over dit lied, zie mede Dr. G. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 443, die den Duitschen en den Nederlandschen tekst naast elkander ter vergelijking brengt.

Duitsche tekst: Uhland, Volksldr., nr. 115; - Böhme, Altd. Lb., nr. 41, bl. 119; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, I, nr. 70, bl. 247 vlg. Dat de Duitsche tekst zich eerst later voordoet (1582), is geen bewijs dat hij niet ouder is dan de Nederlandsche. Na vier eeuwen, zeggen E.u.B., bl. 249, leeft het lied nog in den volksmond voort ‘in Schlesien, Uckermark und der Schweiz’.

Ad. Hauffen te Praag, die aan het Volkslied von den zwei Gespielen (in Euphorion, Bamberg, II (1895), bl. 29-39), eene uitvoerige studie wijdt en de verschillende Duitsche oudere en jongere lezingen aanhaalt en bespreekt, is ook van meening, dat de Duitsche tekst de oorspronkelijke is en dat de aanvangsstrophe van den Nederlandschen als een later bijvoegsel moet aangezien worden. In dit lied worden, voor zooveel den schrijver bekend is, de twee gespeelkens voor het eerst als arme en rijke bruid elkander tegenovergesteld. Ad. Hauffen merkt ook op: ‘in alten Fassungen unseres Liedes und ausserdem in mehreren Gruppen verwandter deutscher Volkslieder, wird (wat dan ook door meer andere aanhalingen wordt bewezen) mit derselben democratischen Tendenz gegen das reiche Mädchen Stellung genommen.’

Melodie.

Souterl. 1540, Ps. 8: ‘O Heer, ons alder liefste Heer’ - nae die wise: Het waren twee gespeelkens goet’. - ‘Het waren twee’, enz. wordt aangehaald door Coornhert, Lb., 1575, nr. 6, voor: ‘Als ick zinck in myn eyghen grond’, en Byvoeghsel, nr. 36, voor: ‘De konst die tvolck wel leven doet’. - In Het tweede liedeboeck van diversche liedekens, Amst. 1583, bl. 9vo, vindt men de wijsaanduiding (vgl. str. 6, v. 3 hierboven): ‘De rijcke wil ic varen laten’, voor het lied waarvan de aanvangsstrophe luidt:

 
Wilt aenhooren een nieuwe liet,
 
dat sal ic u gaen singhen,
 
hoe datmen nu voor ooghen siet
 
datmen Gods volck wil dwinghen.

Indien men, met het oog op de wijsaanduiding van Ps. 8 Souterl., geneigd zou zijn om bovenstaande aanvangsstrophe ‘Wie wil hooren’, enz., als overtollig aan te zien, dan levert de aanvang: ‘Wilt aanhooren’, enz. van het lb. van 1583 het bewijs, dat het hier besproken lied, zoo niet van het begin af dan toch werkelijk op een gegeven oogenblik, stellig tijdens de verschijning van het Antw. lb., met deze stereotypische, aanvangsstrophe werd voorgedragen.

[p. 1063]

Eene gansch andere melodie (zie hiervoren I, bl. 23-24), met opschrift: ‘Het waren twee ghespeelkens’, komt voor in Fruytiers' Ecclesiasticus, 1565, bl. 16.

Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., bl. XXVI, naar een der destijds hem toe-behoorende 15de-eeuwsche Hss., - thans nr. 8, 190 van de Man. Germ. der K. Berlijnsche Biblioth., - geeft deze strophe:

 
Het reden twee ghespelen goet
 
ter heiden plucken bloemen,
 
die een die reet al lachende uit,
 
die ander die was droevich.

De eerste twee regelen vindt men dan ook als wijsaanduiding in Hoffmann's Niederl. geistl. Ldr., nr. 74, bl. 155, voor het lied: ‘O goede Jesus, wees ons bi’. Dit laatste werd met dezelfde wijsaanduiding uitgegeven door Baümker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 4a, Vierteljahrsschrift 1888, bl. 174, naar het voornoemde Hs.:



illustratie

 
Het re - den twee ghe - spe - len goet
 
ter hei-den pluc-ken bloe - men,
 
die een die reet al la - chende uit,
 
die an-derdie was droe - vich.

E.u.B., I, bl. 247, die deze strophe insgelijks geven, noteeren de melodie met illustratie-maat.

Van deze zangwijs vindt men nog bij Bäumker, nr. 4, bl. 172, naar het 15de-eeuwsche Hs., nr. 7970 van Weenen, eene variante, zonder wijsaanduiding, voor: ‘Verbliit u, lieve susterkyn’.

‘Het ghinghen twee ghespelen goet // aan gheenre wilder heiden’, dient tot wijs aan het l5de-eeuwsche lied: ‘Adieu mijn vroede, adieu solaes’, te vinden bij Hoffman v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 82, bl. 167. Deze laatste aanvangsregel verstrekt op zijne beurt tot wijs aan een ander lied van denzelfden tijd: ‘Des werrelts myn is al verloren’ (zie onder de geestelijke liederen onzer verzameling).

‘Het waren twee ghespelen stout’ wordt aangegeven als stem in Nieu Amst. lb., 1591, voor: ‘Die mi dat bekerken schencken doet’ (zie hierna).

prepostterug  begin  verder