
2, 3. t.: leit; verbetering voorgesteld door J. Verdam, in Tijdschr. voor Ndl. taal- en letterk. IX (1890), bl. 273 vlg. - 2, 4. t.: de .II. de .III.; verbetering voorgesteld door denzelfde; kan echter ook volgens den tekst gelezen worden als: de tweede, de derde = een tweede, een derde. - 4, 4-8. Blijkbaar doelen deze regelen op eene of andere plaatselijke omstandigheid of op plaatselijke feiten of toestanden, die nu niet meer te begrijpen zijn.
Oudvlaemsche liederen der XIVde en XVde eeuwen, uitg. door C. Carton (Maetsch. der Vlaemsche bibliophilen), Gent, z.j. (1849), nr. 49, bl. 108. - Aangeh. door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 456-7, onder de liederen der ‘Gildekens’, met deze aanteekening: ‘Kiliaan vertaalt het woord zeer juist met: nepos, decoctor. Het Nederlandsche woord vereenigt ongeveer deze begrippen in zich: verkwister, doorbrenger, slemper, pretmaker.’