
1, 1. Men schreef arm; men zong arrem met svarabhakti (d.i. ontwikkeling van een (doffen) klinker tusschen twee medeklinkers, waarvan een liquida of nasaal
is (cf. Fr. canif uit knijf). - 2, 3. mi bijgev. - 2, 8. versluymet = verdronken, verbrast. - 3, 2. t.: ende wil dat ooc verteeren. - 3, 6. t.: billicx ict verloort te gaer. - 4, 5-8. t.: ende ic ben even bly // bi die menighe waer dat si // het springet opter heyden // God behoede zijn geschil. - 6, 2. t.: wanneer ic goet leven hae. - 6, 3. t.: en weet ic meer. - 6, 7. t.: rijck. - 8, 5. t. hueyckelijn. - 8, 8. beyde. - 10, 1. t.: inder caerten. - 11, 1. t.: op mijnder siden. - 11, 2. t.: haest daer van. - 11, 3. te bijgev.
Antw. lb., nr. 166, bl. 249, ‘een oudt liedeken’; enkele veranderingen aan den Nederl. tekst toegebracht door middel van den Duitschen, voorkomende bij Uhland; Volksldr., nr. 213. - Vermeld door Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 458-9, als vrij gebrekkig vertaald uit het Duitsch. Voor de Duitsche bronnen zie verder: Böhme, Altd. Lb., nr. 358, bl. 430; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederh., III, nr. 1170, bl. 91. - In het Antw. lb. is de volgorde van de bovenstaande strophen: 1-5, 10, 8, 6, 7, 9, 11, 12. - R. von Liliencron, Deutsches Leben im Volkslied um 1530, nr. 69, bl. 217, geeft den Duitschen tekst: ‘Wo sol ich mich hin keren’, met de vierstemmige bewerking van Forster (1540) in partituur gebracht.
Souterl. Ps. 107, ‘O God, mijn hert, mijn sinnen’ - ‘na die wise: Wes sal ick mi gheneeren // ick arme broeder mijn’; vgl. den derden versregel van de eerste strophe hierboven. Voor de Duitsche varianten zie B., en E.u.B., t.a.p., wien Nederlandshe tekst en melodie onbekend bleven.