terug  begin  verderprepost
[p. 1073]

300. Ende wil wi tavont ghenoeohlic sijn.



illustratie

 
1.
 
Ende wil wi tavont ghenoechlic sijn
 
ende drinken den rijnschen couden wijn;
 
als dat wintjen wait -
 
wi willen niet scheiden,
 
wi willens verbeiden,
 
als dat haentjen crait.
 
 
 
2.
 
Nu wil wi hebben een vrischen moet,
 
verteren een weinich van onsen goet;
 
als dat wintjen wait -
 
wi willen, enz.
 
 
 
3.
 
Och haddic vijfentwintich bedden,
 
te meie woud icker niet een pluimken van hebben;
 
als dat wintjen wait -
 
wi willen, enz.
 
 
 
4.
 
Haddic mijn vrientjen in minen arm;
 
ware si cout, ic maecte si warm!
 
als dat wintjen wait -
 
wi willen, enz.
[p. 1074]

Tekst.

Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 171, bl. 306, ‘Immer lustig’, zonder wijsaanduiding, naar het Weimar-Hs. van 1537. - In Coornhert's Liedboeck, Amst. 1575, vindt men, nr. 32, de wijsaanduiding (vgl. str. 3 hierboven):

 
Al hadden wy XXV bedden,
 
wy zouden daar te Mey niet een pluym af hebben,
 
omdat het dus waayt,

voor ‘Wy dancken den waard // omdat hy ons voet’, een drinklied dat ook voorkomt op bl. 36 van Nieu Amst. lb., 1591.

Melodie.

Een Duytsch musyck boeck, Loven-Antw., 1572, nr. 23, ‘Al hadden wij vijv-en-veertich bedden’, enz., variante van str. 3 hierboven, vierstemmige bewerking van Joan de Lattre, gest. na 1576, ook bekend als Delatre (Claude Petit Jean), Petit Jean zonder meer, P. Jehan, of De Latre, De Lattre, De Latere (zie Rob. Eitner, Bibliogr. der Musik-sammelwerke, 1877. bl. 513). De melodie in superius; zie onze partituur-uitgave in Tijdschrift der Vereeniging voor N.-N. mzgsch. Amst., III (1890), bl. 173. - Eene bewerking van hetzelfde lied, door denzelfden componist, te vinden in Livre septième, Anvers 1636, en 1641, wordt door Eitner, t.a.p., vermeld.

prepostterug  begin  verder