
Nieu Amst. lb., 1591, bl. 28, ‘op de wijse: Dat reeder een ridder wt jaghen, // drie uurtjens voor den daghen’. Aangeh. door Dr. Kalff, Gesch. der Nederl. letterk. in de 16de eeuw, II, bl. 147. - Böhme, Altd. Lb., nr. 437, bl. 543, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1438, bl. 299, 17de-eeuwsche Nederduitsche lezing: ‘It wold ein gut Jeger jagen // dre Uren vor dem Dage’. Van eene Hoogduitsche lezing is alleen de eerste strophe bekend. - ‘Het voer een ridder uyt jaghen’, wordt aangehaald door K. van Mander, De gulden harpe, 1627, bl. 389, voor: ‘Myn ziele zucht in ellende’, een lied met zelfden strophenbouw.
Het reedt een ruyter wt jaeghen’, wordt als wijs vermeld in Veelderhande Schriftuerlijcke nieuwe liedekens, Utrecht, 1593, bl. 419, voor het lied: ‘Nu laet ons int vergaren’, insgelijks met zelfden drieregeligen strophenbouw. In laatstgenoemde verzameling, bl. 482, in plaats van 782, zooals bl. 46 hiervoren, bij misslag, is gezeid, vindt men nogmaals dezelfde stemopgave, ‘ofte met ses reghelen te singhen’: ‘N'oseroyt on dire’, voor: ‘Troost die moet u doch wesen’.
Böhme, en Erk u. Böhme, t.a.p., naar M. Franck, Fascic. quodlib., 1611, nr. 6.