Naar Stalpaert, Extr. cathol.

8, 2. een Fransman = Fransche wijn, brandewijn. - 8, 4. klock, het ledige glas bij het omkeeren; zie Dr. C.H. Ph. Meijer, Bloemlezing uit de liederen van J. Jz. Starter, Zutphen, z.j., bl. 64 en 120.
Starter, Friesche lust-hof, 1621, bl. 99, ‘Drinck-liedeken’.
Starter, t.a.p., zonder wijsaanduiding:

Valerius, Nederl. gedenck-clanck, 1626, bl. 198, ‘stem: Engels Woddecot, ofte: Datmen eens van drincken spraeck’; - Dr. Loman, Oude Nederl. ldr. uit Valerius, bl. 58. Dr. L. vergist zich, wanneer hij meent, dat Starter's liedje andere voetmaat heeft dan dat van Valerius; in beide liederen hebben al de verzen vier accenten:

Stalpaert, Extractum cath., 1631, bl. 224, ‘stem: Amarilletje mijn vriendin’:

Bolognino, Den gheest. leeuwercker, Antw. 1645, bl. 66, ‘op de wijse: ‘Amarilleke mijn vrindin’ (een bewijs hoe de populaire melodieën soms ontaarden):

Corn. de Leeuw, Christelycke plicht-rymen, Amst. 1649, bl. 160: ‘Zangh: ‘Dat men eens van drincken sprack’, enz.:

Chappell, ‘The ballad literature and popular music of the olden time’, II, bl. 793, aangeh. door Dr. Land, Tijdschr. der Vereenig. voor N.-N. mzgsch., I (1885), 25. Het door Valerius gebruikte ‘Woddecot’ is eene verbastering van Woody Cock (woodcock, houtsnip). Chappell vond de melodie in het zoogenaamde Virginaalboek van Koningin Elisabeth, in het Fitzwilliam Museum te Cambridge. Zie The Fitzwilliam virginalbook edited by J.A. Fuller Maitland and W. Barclay Squire, London - Leipzig 1899 II, bl. 138, de variaties van Giles Farnaby, waaraan het volgende thema ontleend is (niet met bes, zooals Chappell schrijft):

‘Dat men eens’, enz., aangeh. als stem, door Starter, t.a.p., bl. 121, voor een tweede ‘drinck-liedeken’ met aanvang: ‘Nu jongelingen syt ghy cranck’; - Bredero, Boertigh lb., Amst. 1622, uitg. 1890, bl. 279, stem: ‘Dat men een reys van’, enz., voor: ‘Waer dat cleyne guytje blint’; - Corn. Maertsz., Stichtelijke gezangen, Hoorn 1661, bl. 162, zelfde wijs, voor: ‘Terwijl het Philistijnsche heyr’; - Pers, Bellerophon, 1633, bl. 186, ‘stemme: Datmen nu eens van’, enz. voor: ‘Floris al eer de sonne daelt’.
‘Amarilletje mijn vriendin’, wordt aangeh. als stem: Hooft, Minne-plicht en kuysheyts-kamp, Amst. 1626, zonder pag., voor: ‘Caartje, wat heeft'er uw hartjen verlept’; herdrukt door J.H. Scheltema, Nederl. liederen uit vroegeren tijd, nr. 35, bl. 82; ook bekend met den aanvang: ‘Klaere, wat heeft’, enz.; zie de uitgave van Dr. F.A. Stoett, I, bl. 179; - Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, 1635, blz. 422 en 582, voor: ‘De tongh bedwingt, de ziel bewaerd’ en ‘Helena, maegd en martelars’; - 't Amst. minnebeeckie, 1645, I, bl. 99, aangeh. door Dr. Stoett, t.a.p., bl. 397; - Corn. Maertsz., t.a.p., bl. 138, voor: ‘Wanneer de kist van Gods verbond’; - J. Luyken, Duitsche lier (1671), 2e druk, 's-Grav. 1783, blz. 30 voor: ‘Nimphje als ik 'er uw oogjes zo zoet’.